de periode 2007 en 2008 toonde aan dat 66 procent van deze stalen positief zou zijn (20). Dit komt overeen met 1,4 procent van alle geteste stalen. In de periode 2001- 2003 bevatte slechts 0,18 procent van alle stalen een concentratie hoger dan 25µg/ml. Finaal werd pseudo- efedrine opnieuw aan de lijst toegevoegd en dit sinds januari 2010. verantwoordelijk voor 39,4 procent van de positieve sti- mulantiagevallen (Tabel 2). De reden dat deze compo- nent in de verboden lijst terechtgekomen is, berust op een analytisch toeval. Sinds januari 2007 is tuaminoheptaan (1-methyl-hexylamine) een gespecifieerd stimulans. Dit product is in bepaalde landen commercieel ter beschik- king als neusspray om rinitis te behandelen. Sinds het systematisch opsporen van tuaminoheptaan begon, werd door verschillende laboratoria een onbekende substantie waargenomen met gelijkaardige structuur (21, 22). De onbekende substantie werd geïdentificeerd als 4-methyl-2- hexaanamine. Deze substantie is ook bekend als gerana- mine en komt voor in geraniumolie. Geraniumolie is een goedgekeurd voedingsadditief en kan van nature aanwezig zijn in voedingssuplementen. Er dient echter opgemerkt te worden dat geraniumolie slechts 0,7 procent geranamine (4-methyl-2-hexaanamine) bevat en dat er aan bepaalde `natuurlijke' supplementen extra synthetisch 4-methyl-2- hexaanamine wordt toegevoegd (23). Men kan zich dan ook afvragen of het grote aantal positieve gevallen niet te wijten is aan de aanwezigheid van hoge dosissen synthe- tisch 4-methyl-2-hexaanamine. ticide. Het wordt niet therapeutisch gebruikt, maar kan te- ruggevonden worden in natuurlijke extracten van strych- nos nux vomica-plant. Het alkaloïde strychnine werd voor de eerste keer geëxtraheerd uit Strychnos ignatii beans in 1818. De commerciële bron van strychnine zijn de zaden van de Strychnos nux-vomica-plant. Ondanks de hoge toxiciteit zijn verschillende homeopatische preparaten van de Strychnos nux-vomica-plant vrij verkrijgbaar in België. Onder zoek uitgevoerd in het dopingcontrolelaboratorium van de Universiteit Gent toonde aan dat na inname van een homeopatische dosis van 380µg strychnine via strychnine Strychnos nux-vomica (24) strychnine gedetecteerd kon worden gedurende 24 uur en kan leiden tot een positief resultaat. verschillende andere regio's en in het bijzonder Zuid-Ame- rika wordt het gebruikt als preparaat tegen hoogteziekte of is het aanwezig in traditionele `Mate de coca'-thee en kan resulteren in een positieve dopingtest (25). tische stimulantia teruggevonden in voedingssupplementen. Reeds in de jaren 80 testte een Belgische marathonloopster positief voor het stimulans fentermine (4,5% positieve gevallen in 2011, tabel 2). Analyse van het voedings- supplement toonde de aanwezigheid van zowel fentermine en fenfluramine (26). Een studie uitgevoerd door het Nederlandse ministerie van Gezondheid en Sport, vooraf- gaande aan de Olympische Winterspelen in Salt Lake City (2002), resulteerde in de detectie van 3,4-methyleendioxy- metamfetamine (xtc) in een supplement (27). Omdat ze een onmiddellijk en duidelijk effect op de pres- taties kunnen hebben, blijven ze een zeer aantrekkelijke groep van dopingproducten. Stimulantia staan dan ook al jaren in de top drie van de meest gedetecteerde substan- ties. Verwijdering van cafeïne van de verboden lijst resul- teerde niet in een toename van het misbruik. Het verwijde- ren van pseudo-efedrine van de lijst resulteerde wel in een toename van het misbruik. Buiten de efedrines, waarvoor het therapeutische gebruik met een drempelwaarde wordt gecontroleerd, geldt een nultolerantie. Indien een atleet om therapeutische noodzaak een stimulans nodig heeft kan een `Toestemming wegens Therapeutische Noodzaak' (TTN) bekomen worden. extracten werden gewonnen, zijn er nog steeds zoge- naamde natuurlijke preparaten vrij te verkrijgen. Atleten moeten voorzichtig zijn met het gebruik van deze prepa- raten aangezien deze moedwillig gecontamineerd kunnen zijn met synthetische stimulantia. 1. delbeke fT. from amanita muscaria to somatotropine: The doping story. biol sport 4. gecommentarieerd geneesmiddelenrepertorium (2012). belgisch Centrum voor Portland Press ltd: london 2008;109-23. heidelberg. p. 227-49. |