background image
OrthO-rheumatO | VOL 10 | Nr 6 | 2012
55
Behandeling met Simponi® resulteerde in het stoppen van
radiografische progressie bij de patiënten geïncludeerd in
de analyses (Figuur 5). Patiënten behandeld met Simponi®
die bij aanvang methotrexaat kregen, vertoonden numeriek
minder radiografische progressie dan patiënten die toen
geen methotrexaat kregen. De veiligheidsdata brachten geen
verrassingen aan het licht.
Inflammatie, vettige degeneratie en Remicade
®
bij spondylitis ankylosans
Xenofon Baraliakos (Bochum) had het in zijn uiteenzetting over
de invloed van infliximab op de vorming van nieuw bot bij
spondylitis ankylosans. Om daar een beter zicht op te krijgen,
analyseerde hij de gegevens van de ASSERT-studie samen met
de data van de EASIC-studie. De ASSERT-studie was een twee
jaar durende, placebogecontroleerde studie waarin Remicade®
is uitgetest voor de behandeling van spondylitis ankylosans. De
EASIC-studie was een open-labelstudie, die op de ASSERT-studie
volgde. Beide studies samen overspanden een periode van vijf
jaar (6).
Over die periode van vijf jaar kon een beperkte maar
vaststaande botvorming opgemerkt worden bij patiënten
onder therapie met Remicade® (2,2 punten op de mSASSS-
schaal). De bijdrage van vettige veranderingen aan de vorming
van nieuw bot lijkt groter te zijn dan die van inflammatoire
veranderingen (Figuur 6). De combinatie van inflammatie en
vettige degeneratie (een zogenaamde `gematureerde laesie')
lijkt de sterkste impact te hebben op de ontwikkeling van
syndesmofyten. Behandeling met Remicade® vermindert in
de grote meerderheid van de gevallen inflammatie volledig,
maar in sommige gevallen ontstaat vet en de combinatie van
vet en inflammatie. De sequentie van inflammatie gevolgd
door ontwikkeling van vet en dan door het ontstaan van
syndesmofyten werd slechts éénmaal geobserveerd tijdens
vijf jaar observatie. Het totale risico van vorming van nieuwe
syndesmofyten leek eerder te dalen over vijf jaar therapie met
infliximab. Het bleek niet mogelijk om numeriek de sterkste
vorming van nieuwe syndesmofyten te voorspellen op basis van
de aanwezigheid van vet of inflammatie bij MRI-beeldvorming
bij aanvang.
Xenofon Baraliakos concludeert dat de gegevens van deze studie
de visie ondersteunen dat regressie van inflammatie een geldig
therapeutisch doel is bij patiënten met spondylitis ankylosans.
Wel blijft er een behoefte bestaan om de ontwikkeling van letsels
af te remmen die uit de combinatie van vet en inflammatie
bestaan.
Conclusies
De doeltreffendheid van de TNF-remmer Simponi® bij
reumatoïde artritis blijft behouden onder de nieuwe, provisionele
remissiecriteria van het ACR en de EULAR voor reumatoïde
artritis. Voldoen aan de nieuwe criteria leidt tot betere outcomes
voor de patiënt ten opzichte van de oude criteria. Bij deze
aandoening voorspelt de mate van synovitis botoedeem en
boterosies gezien met MRI-beeldvorming bij aanvang van de
therapie ziekteprogressie vastgesteld met röntgenstralen één en
twee jaar later.
Nu bekendgemaakte langetermijngegevens over een periode
van vijf jaar geven aan dat Simponi® voor de behandeling van
psoriasisartritis de radiografische ziekteprogressie zo goed als
stillegt.
Langetermijngegevens over Remicade® bij de behandeling
van spondylitis ankylosans tonen dan weer dat remming
van inflammatie nuttig blijft bij deze aandoening, al kan de
gezamenlijke aanwezigheid van vettige degeneratie toch nog
bijdragen tot het ontstaan van syndesmofyten. Ten slotte gaat
subcutaan toegediend Simponi® gepaard met weinig ongemak
bij de injectie, in vergelijking met andere subcutaan te gebruiken
TNF-remmers.
Figuur 5: Gemiddelde geschatte jaarlijkse radiografische progressie, voorafgaand aan de studie en
tijdens de studie.
Figuur 6: Relatie tussen MRI-laesies en radiografische progressie
bij spondylitis ankylosans. Percentage van oorsprong van nieuwe
syndesmofyten.
Voorafgaand
G
emiddelde jaarlijkse v
er
andering
v
an de Sharp
-v
an der H
eijde
-sc
or
e
5
4
3
2
1
0
Groep 1 (n = 73)
Groep 2 (n = 93)
Groep 3 (n = 101)
2,7
4,7
3,0
Tijdens de studie
G
emiddelde jaarlijkse v
er
andering
v
an de Sharp
-v
an der H
eijde
-sc
or
e
5
4
3
2
1
0
0,06
0,06
0,01
57,4%
6,6%
19,7%
16,4%
Enkel in ammatie
Enkel vettige degeneratie
In ammatie en vettige degeneratie
Geen in ammatie en geen vettige degeneratie
Referenties
1.
Felson DT, Smolen JS, Wells G, et al. Arthritis Rheum 2011;63(3):573-86.
2.
Han C, Keystone EC, Fleischmann R, et al. ACR 2012. Abstract 80.
3.
Emery P, Fleischmann RM, Moreland LW, et al. Arthritis Rheum 2009;60(8):2272-83.
4.
Baker J, Østergaard M, Emery P, et al. ACR 2012. Abstract 1620.
5.
Bolge SC, Eldridge H, Doshi D, et al. ACR 2012. Abstract 1925.
6.
Kavanaugh A, van der Heijde D, McInnes IB, et al. 5. ACR 2012. Abstract 2218.
7.
van der Heijde D, Dijkmans B, Geusens P, et al. Arthritis Rheum 2005;52(2):582-91.
ORC208N_EspacePharma.indd 3
07/01/13 12:53
OR0813N
nI
eu
W I
n
r
e
u
m
a
t
ol
og
I
e
uit De literatuur
Heidi Van de Keere
sterfte na ChIrurgIe In BelgIë en europa
Een cohortstudie in The Lancet op basis van gegevens uit 2011 brengt aan het licht dat de sterfte na een niet-car-
diale heelkundige ingreep in Europa hoger is dan werd aangenomen. De duidelijke variaties in mortaliteit tussen
de verschillende landen onderling suggereert dat er behoefte is aan nationale en internationale strategieën om de
zorg voor deze patiënten te optimaliseren.
Wereldwijd staan chirurgen in voor meer dan 230 miljoen
majeure heelkundige ingrepen per jaar. Britse cijfers geven
aan dat ongeveer 10 procent van de patiënten die in Groot-
Brittannië een heelkundige ingreep ondergaan een hoog
risico heeft op complicaties, die overigens verantwoordelijk
zijn voor 80 procent van de postoperatieve sterfte. Als we
die Britse cijfers zouden extrapoleren, zouden we kunnen
stellen dat ieder jaar wereldwijd meer dan 25 miljoen
patiënten een hoogrisico-ingreep ondergaan en dat drie
miljoen van hen in het ziekenhuis sterven.
Een internationaal onderzoeksteam met onder meer Jean-
Louis Vincent (ULB) voor België zette een zevendaagse
Europese cohortstudie op poten om een beter zicht te
krijgen op de mortaliteit na heelkundige ingrepen in de
verschillende Europese landen. Alle volwassen patiënten
(> 16 jaar) die zich in de deelnemende centra aanmeldden
voor een electieve of non-electieve ingreep tussen 4 april
2011 9.00u en 11 april 8.59u (lokale tijd) kwamen in aan-
merking voor inclusie. Een aantal procedures waaronder
cardiale chirurgie, neurochirurgie, radiologische of ob-
stetrische procedures werden uitgesloten. Aan de studie
namen 498 centra deel in 28 Europese landen. De geïn-
cludeerde patiënten werden maximum 60 dagen gevolgd.
Primair eindpunt was de sterfte in het ziekenhuis. Secun-
daire eindpunten waren de duur van de opname en een
opname op intensieve zorg.
In totaal werden 46.539 patiënten geïncludeerd. Onder hen
overleden 1.855 personen (4%) voor ziekenhuisontslag;
3.599 (8%) werden opgenomen op intensive care na heel-
kunde met een mediane verblijfsduur van 1,2 dagen. Van
de patiënten die overleden, werd ongeveer driekwart
(73%) na heelkunde op geen enkel moment opgenomen op
een intensive-careafdeling.
Opvallend zijn de grote verschillen tussen de Europese
landen, met sterftecijfers variërend tussen 1,2 procent voor
IJsland en 21,5 procent voor Litouwen. Na correctie voor
potentieel beïnvloedende factoren bleven er belangrijke
verschillen bestaan tussen de landen, in vergelijking met
het Verenigd Koninkrijk dat als referentie werd genomen
(grootste dataset), met een gecorrigeerde OR variërend
van 0,44 voor Finland (p = 0,006) tot 6,92 voor Polen
(p = 0,0004).
Voor België zag het plaatje er als volgt uit: 1.486 patiënten
werden geïncludeerd. De mediane opnameduur bedroeg
drie dagen. Er werden 136 personen (9,2%) opgenomen op
intensive care. In het ziekenhuis overleden er 47 personen
(3,2%), met een niet-gecorrigeerde OR van 0,89 en een
gecorrigeerde OR van 1,65 (p = 0,17).
De auteurs wijzen erop dat hun studie beperkingen heeft.
Zo nam uiteindelijk maar een beperkt aantal Europese zie-
kenhuizen deel waardoor de gegevens wellicht niet hele-
maal representatief zijn voor de geleverde zorg in het be-
trokken land. Toch menen de auteurs dat de vastgestelde
grote verschillen tussen de landen de behoefte aan maatre-
gelen suggereren om deze postoperatieve uitkomsten te
optimaliseren.
Pearse r, moreno r, bauer P, et al. mortality after surgery in europe: a 7 day cohort study.
lancet 2012;380:1059-65.