MRI-beeldvorming het mogelijk maakt om erosies sneller aan het licht te brengen dan klassieke beeldvorming met x-stralen. Toch is het nog onduidelijk of met MRI vastgestelde synovitis, botoedeem en boterosies onafhankelijk de ziekteprogressie vastgesteld met x-stralen kunnen voorspellen, een of twee jaar op voorhand. Om die reden is een analyse uitgevoerd van de GO-BEFORE-studie, waarin Simponi® en methotrexaat werden uitgetest bij patiënten met reumatoïde artritis die voordien nog geen behandeling met methotrexaat of biologics hadden gekregen (3). In die studie werd ook een substudie opgenomen van 318 patiënten die met MRI-beeldvorming opgevolgd werden. In de nu voorgestelde analyse werden de MRI-scores bij aanvang en op week 12 en 24 gekoppeld aan de progressie met de score van Sharp en van der Heijde op week 52 en 104 (4). meer synovitis bij aanvang (p = 0,03) en minder vroegtijdige verbetering op week 12 (p = 0,02) en 24 (p = 0,003). Dit ging eveneens op voor botoedeem bij aanvang en de verbetering ervan op week 12 en 24 (resp. p = 0,009; p = 0,001 en p < 0,001) (Figuur 3) en ook voor boterosies (resp. p = 0,03; p = 0,003 en p = 0,001). en botoedeem bij aanvang van de behandeling klassieke radiologische progressie kan voorspellen. Vroege veranderingen van MRI-componentscores voorspellen eveneens onafhankelijk progressie met x-stralenbeeldvorming. Die bevindingen zijn onafhankelijk van de klinische ziekteactiviteit. De hier vastgestelde voorspellende waarde ondersteunt het gebruik van MRI-beeldvorming in klinische studies. TNF-remmers, aangewezen voor de behandeling van reumatoïde artritis, psoriasisartritis en spondylitis ankylosans. Tot nu toe is de ervaring van patiënten met subcutane injecties van verschillende door middel van telefonische interviews aan 393 patiënten gevraagd hoe tevreden ze waren met hun ervaringen tijdens en na subcutane injectie van hun TNF-remmer. Bij de analyse werd gecorrigeerd voor de duur van de therapie en voor voorafgaande ervaring met intraveneus toe te dienen biologicals (5). vergelijkbaar was tussen de patiënten behandeld met Simponi®, adalimumab of etanercept. Wel rapporteerden patiënten die therapie met Simponi® kregen minder ongemak (Figuur 4), pijn, een stekend gevoel of een brandend gevoel bij de injectie dan patiënten die adalimumab of etanercept kregen. De onderzoekers stellen vast dat de ervaring van patiënten met verschillende subcutane TNF-remmers lijkt te verschillen. De impact hiervan op therapeutische adherentie vereist verder onderzoek. artritis is uitgetest in de GO-REVEAL-studie. In die studie startten 405 volwassen patiënten een behandeling met placebo (groep 1), 50mg Simponi® (groep 2) of 100mg Simponi® (groep 3). Na 16 en 24 weken kon bij onvoldoende resultaat overgeschakeld worden van placebo naar actieve behandeling of van 50mg naar 100mg Simponi®. Na één jaar begon de extensiefase van de studie, een open-labelfase om het effect op lange termijn te evalueren, tot vijf jaar na de start van de studie. De resultaten qua veiligheid, doeltreffendheid en radiografische data na vijf jaar follow-up werden nu op het congres voorgesteld (6). behandeld met Simponi®. Bij de patiënten die aan de studie bleven deelnemen, leidde de behandeling met Simponi® tot aanhoudende ACR20-, ACR50- en ACR70-respons en tot een aanhoudende DAS28-CRP-respons. De waargenomen respons was klinisch relevant, zowel voor de huidcomponent als de artritiscomponent van psoriasisartritis. Ook het fysieke functioneren verbeterde over die vijf jaar. 80 70 60 50 40 30 20 10 edeelt en (%) samen met de European League Against Rheumatism (EULAR) nieuwe criteria voor remissie bij reumatoïde artritis (1). Hierbij werd onder meer rekening gehouden met de bijdrage van voor de patiënt relevante parameters en met criteria die radiografisch en functioneel een prognostische waarde hebben. Twee nieuwe provisionele criteria werden voorgesteld. De eerste, booleaanse criteria vereisen dat er hooguit 1 gevoelig en gezwollen gewricht is, dat de CRP-waarde hooguit 1mg/l bedraagt en dat de score van de PGA (Physician Global Assessment) eveneens maximum 1 haalt. De tweede criteria hanteren de score op de SDAI (Simplified Disease Activity Index) (1), die bij remissie gelijk is aan of lager dan 3,3 dient te zijn. Deze criteria lijken strenger dan de traditioneel gehanteerde criteria op basis van de DAS28-CRP lager dan 2,6. op de kans op remissie bij behandeling van reumatoïde artritis met Simponi®. Hiervoor werden gegevens uit drie klinische studies met Simponi® gepoold en geanalyseerd (2). De strengere waargenomen met de DAS28-criteria (Figuur 1). Wel bleef een groter gedeelte van de patiënten die met Simponi® in combinatie met methotrexaat behandeld waren remissie behalen, in vergelijking met patiënten die met placebo in combinatie met methotrexaat behandeld waren, en dit ongeacht de aangewende remissiecriteria. criteria haalden numeriek betere cijfers op het gebied van de levenskwaliteit gemeten met de SF-36-schaal dan met de oudere criteria. Patiënten in remissie volgens de DAS28-criteria hadden na 24 weken hogere en dus minder goede scores op de HAQ (health assessment questionnaire), die het functioneren evalueert, dan patiënten in remissie volgens de nieuwe criteria (Figuur 2). Bij de patiënten in remissie volgens DAS28 verwierf 67,8 procent normaal fysiek functioneren, terwijl dit opliep naar 81,3 procent voor patiënten in remissie volgens de SDAI en naar 82 procent voor patiënten in remissie volgens de booleaanse criteria. De nieuwe, strengere remissiecriteria kunnen dus optimalere resultaten voor de patiënten opleveren. er en en emiddelde HA -sc |