uiteenzetting op dat interleukine 23 een cytokine is dat bij veel aspecten van spondyloartritis een rol speelt (1). Zo is een verhoogde gevoeligheid voor interleukine 23 opge- merkt bij patiënten met spondylitis ankylosans. Die gevoe- ligheid is een gevolg van SNP's die zijn waargenomen in genen coderend voor de interleukine 23-receptor bij spon- dylitis ankylosans. bij spondylitis ankylosans ook overproductie van interleu- kine 23 vastgesteld. Verkeerd opgevouwen HLA-B27 blijkt het ontstaan te geven aan productie van interleukine 23. Ook wordt bij inflammatoire darmziekten een verhoogde productie van interleukine 23 gezien. Subklinische ileïtis is bij 70 procent van de patiënten met spondyloartritis aanwezig, zonder dat er overte inflammatoire darmziekten op te merken zijn. In het terminale ileum van patiënten met spondylitis ankylosans wordt eveneens een verhoogde concentratie van interleukine 23 vastgesteld (2). De spre- ker heeft recent in een model vastgesteld dat interleukine 23 spondyloartropathie kan uitlokken door in te werken op de aanwezige entheseale T-cellen (3). Die T-cellen pro- duceren dan weer interleukine 22, wat aanleiding geeft tot STAT3-afhankelijke osteoblastengemedieerde botremode- lering en specifieke inflammatie ter hoogte van de enthesis. unificerende factor is bij spondyloartropathie. Zowel een verhoogde productie van interleukine 23 als een verhoogde gevoeligheid voor interleukine 23 zijn bij de aandoening waargenomen. het traject van individuele cellen in weefsel mooi gevolgd kan worden, de zogenaamde intravitale multifotonmicro- scopie. Die techniek wendde hij aan om Th17-cellen te visualiseren, cellen die RANKL op hun oppervlak tot ex- pressie brengen (4). in vivo de osteoclastische botresorptie regelen. RANKL- expressie op Th17-cellen leidt immers tot de vorming van gematureerde osteoclasten uit osteoclastprecursorcellen. De beeldvorming gebeurde op chirurgisch blootgelegd weefsel van geanestheseerde muizen. Visualisering van de V-ATP-ase-a3-subunit (aanwezig in de protonpomp van osteoclasten) met groen fluorescerend proteïne (GFP) bij die muizen (`a3-GFP-muizen') maakte het mogelijk twee distributie van protonpompen over de celmembraan. Die distributie bleek verschillend te zijn tussen actief bewe- gende, niet-resorberende osteoclasten en niet-bewegende, resorberende osteoclasten. tie van de pH kon dit bevestigd worden. Behandeling met RANKL resulteerde op korte termijn in de waarneming van resorberende, niet meer bewegende osteoclasten, terwijl bijkomende toevoeging van risedronaat de cellen opnieuw beweeglijker maakte. Door gelabelde Th1-cellen (controle) en Th17-cellen te transfereren in een a3-GFP-muis kon hij aantonen dat Th17-cellen bij voorkeur adherentie vertonen aan gematureerde osteoclasten. Toevoeging van RANKL- neutraliserende antilichamen blokkeerde de interactie tus- sen osteoclasten en Th17-cellen. Th17 bleek zelfs de osteo- clastische botresorptie te reguleren (5). expressie brengen tussenkomen bij de activering van niet- resorberende osteoclasten tot resorberende osteoclasten. RANKL speelt dus niet alleen een rol bij vorming van osteo- clasten uit osteoclastprecursoren, via osteo blasten, maar ook bij de activering van osteoclasten, via Th17-cellen. ten voor van een klinische studie waarin eenmaal per week 50mg odanacatib werd gegeven aan personen die voordien minstens drie jaar met alendronaat behandeld waren (6). sorptie remt terwijl het middel botvorming weet te be- houden. De periode van drie jaar werd volgens de spreker gekozen omdat de botmineraaldichtheid ter hoogte van de heup na drie jaar een plateauwaarde bereikt (7). De aan de studie deelnemende 246 postmenopauzale vrouwen met osteoporose waren minstens 60 jaar oud (gemiddeld 71,3 jaar) en konden gedurende 24 maanden met odanacatib of placebo behandeld worden, steeds in combinatie met vita- mine D3 en met calciumsuppletie. Het primaire eindpunt van de studie was de botmineraaldichtheid ter hoogte van de femurhals na 24 weken. (mediaan 4,6 jaar). Na 24 maanden bedroeg het verschil in botmineraaldichtheid in de femurhals 2,67 procent in het voordeel van odanacatib (p < 0,001). De extra winst in de actief behandelde groep bedroeg 1,73% (p = 0,003) sinds de start van de studie. Er viel ook een significant verschil op te tekenen wat botmarkers betreft (verhouding van |