background image
OrthO-rheumatO | VOL 10 | Nr 6 | 2012
46
gerelateerd aan een secundair hersenletsel bij mensen met
reeds een verhoogde intracraniële druk (posttraumatisch,
post-CVA). Deze verandering in intracraniële druk kan
vermeden worden door het behouden van normocapnie,
bv. door middel van hyperventilatie (8, 22).
metabool
Het aanbrengen en het aflaten van een pneumatische
garrot ter hoogte van de extremiteiten veroorzaakt ver-
schillende metabolische veranderingen. De waarden van
de arteriële pH, PaO2, de PaCO2, lactaat en kalium verto-
nen significante veranderingen, waarbij de sterkte van de
verandering grotendeels wordt bepaald door de ischemie-
duur veroorzaakt door de tourniquet (8, 20, 22). Over het
algemeen worden deze veranderingen goed getolereerd,
maar bij geriatrische patiënten, patiënten die mechanisch
worden beademd en niet in staat zijn om de metabolische
veranderingen te compenseren, en bij patiënten met wei-
nig cardiovasculaire reserve kunnen deze veranderingen
wel klinisch significant zijn (8). Lekkage van kalium door
falen van de Na-K-pomp na ATP-depletie, leidt tot hyper-
kaliëmie in de vroege reperfusieperiode en kan mogelijk
tot plotse dood leiden (8, 23, 24).
temperatuur
De kerntemperatuur stijgt gedurende de inflatie van de
tourniquet en daalt na deflatie van de tourniquet (22). De
stijging kan toegeschreven worden aan de verminderde
convectie via de huid van het lidmaat en het verminderde
warmteverlies van de centrale naar de perifere delen van
het lichaam. Het dalen van de kerntemperatuur wordt
waarschijnlijk veroorzaakt door de redistributie van de
lichaamswarmte en de terugvloei van hypothermisch ve-
neus bloed van het lidmaat naar de systemische circulatie
na het aflaten van de garrot (8).
farmacokinetica van geneesmiddelen
Algemeen wordt aangenomen dat vijf minuten vóór infla-
tie van de tourniquet noodzakelijk zijn om een optimale
weefselpenetratie van intraveneus toegediende farmaca te
bekomen (25).
Op het einde van een heelkundige procedure start de vor-
ming van het hematoom en worden de bacteriën in de
fibrineklonters ingesloten. Tijdens dit proces is het essen-
tieel om de hoogste serumconcentratie van de profylac-
tische antibiotica te bereiken om hoge concentaties in het
hematoom te verkrijgen en zo te vermijden dat er bacte-
riële groei plaatsvindt in de volgende 12-24u.
Het gebruik van een pneumatische garrot ter hoogte van
het lidmaat heeft invloed op de concentratie en penetratie
van deze intraveneuze profylactische medicatie. Uit stu-
dies is gebleken dat bij een TKA (totale knieartroplastie)
de toediening van standaardprofylaxie met antibiotica
voor het opblazen van de tourniquet of toediening van de
medicatie net voor deflatie van de garrot geen significante
verschillen in de outcome toont (25, 34).
reperfusiesyndroom
Het herstel van de bloedflow na een periode van ische-
mie is essentieel om de energiebalans te herstellen en om
toxische metabolieten te elimineren. Niettemin kan de
reperfusie een paradoxale verlenging van de ischemische
schade veroorzaken (8). Dit kan een groep van complica-
ties veroorzaken, bekend als het `reperfusiesyndroom'. Het
is een complex proces, dat deels gemedieerd wordt door
zuurstofradicalen geproduceerd door neutrofielen en re-
sulteert in een letale beschadiging van cellen die eerder su-
bletale ischemische schade opliepen (27, 28). Er zijn twee
grote componenten in het reperfusiesyndroom: de lokale
component die een exacerbatie van de regionale ische-
mische schade veroorzaakt en de systemische complicaties
met mogelijk secundair orgaanfalen op afstand (8, 28).
Bloedverlies
Het totale bloedverlies bij een heelkundige ingreep
wordt gedefinieerd als de som van het intraoperatieve
en het post operatieve bloedverlies. Het intraoperatieve
bloedverlies wordt gemeten aan de hand van het gewicht
van de compressen en de hoeveelheid geaspireerd bloed.
Het post operatieve bloedverlies is het bloedvolume ge-
meten in de postoperatieve aspiraatcollector (29). Er is
steeds een zeker volume verborgen of ongemeten bloed-
verlies (17).
Het intraoperatieve bloedverlies tijdens een TKA met het
gebruik van een tourniquet was significant minder dan
tijdens een TKA zonder tourniquet, maar het totale bloed-
verlies bij een TKA met tourniquet en bij een TKA zonder
tourniquet is vergelijkbaar (17, 30). Dit is zo, omdat na het
loslaten van de tourniquet de reactieve bloedflow toeneemt,
met een piekflow binnen de vijf minuten na loslaten van de
tourniquet en doordat er een verhoogde fibrinolytische acti-
viteit optreedt, hetgeen leidt tot excessief bloeden (17, 20,
29). Twee recente studies tonen aan dat er zelfs meer totaal
bloedverlies is bij een TKA met tourniquet dan bij een TKA
zonder het gebruik van een tourniquet (31, 32).
De timing van het aflaten van de tourniquet is een belang-
rijke factor die de hoeveelheid bloedverlies bepaalt. Het
intraoperatief aflaten van de tourniquet (vóór de wond-
sluiting) gaat ondanks de mogelijkheid tot hemostase ge-
paard met significant meer bloedverlies dan wanneer men
de tourniquet laattijdig loslaat na wondsluiting (3, 27, 29,
30, 33).
Het vroegtijdig loslaten van de tourniquet gaat eveneens
gepaard met een verlengde operatietijd (17). Het voordeel
van het vroegtijdig loslaten van de tourniquet is dat ma-
jeure vasculaire letsels herkend worden voordat men de
wonde sluit. Bij het laattijdige aflaten bestaat het risico dat
deze letsels gemist worden (29, 30).