background image
OrthO-rheumatO | VOL 10 | Nr 6 | 2012
18
InleIdIng
In 1976 werd gezegd dat een gescheurde voorste kruisband
(VKB) `het begin van het einde' betekende (`the beginning
of the end
') voor de knie (1). Over welke middelen beschik-
ken we vandaag om de gewrichtsaftakeling veroorzaakt
door een gescheurde VKB tegen te gaan? De voorbije 35
jaar brachten de zeer talrijke studies over de functionele
anatomie van de VKB en de technische vooruitgang gelei-
delijk aan verandering in de operatieve behandelingen. Die
gaan tegenwoordig van extra-articulaire plastiek tot intra-
articulaire reconstructies met behulp van peestransplan-
taties volgens de simple, double of triple bundle-techniek.
Steeds meer studies suggereren een vroege operatieve
reconstructie van de gescheurde VKB om bijkomende me-
niscusletsels of de kans op de ontwikkeling va
n
gonartrose
te voorkomen. Zijn deze aanbevelingen wetenschappelijk
onderbouwd of nog louter speculatief?
Daarnaast hebben enkele studies uitgewezen dat bij de
meeste patiënten met een unilaterale VKB-scheur goede
functionele resultaten worden verkregen met een conser-
vatieve behandeling.
In een literatuuroverzicht overlopen we de resultaten van
verschillende therapeutische benaderingen na een VKB-
scheur. Zij kunnen de therapeuten helpen om voor al hun
patiënten de beste behandeling te kiezen.
gesCheurde voorste KruIsBand en artrose
In studies met patiënten die gevolg gaven aan de oproep
om een radiografie te laten nemen omdat ze enkele jaren
voordien een VKB scheurden die niet operatief werd be-
handeld en al dan niet was geassocieerd met andere let-
sels, bedraagt de incidentie van beelden die een vernauwde
gewrichtsspleet aantonen 24 procent na een gemiddelde
termijn van 8,5 jaar (2) of 31 procent na 15 jaar (3). Oudere
retrospectieve studies rapporteren veel hogere incidenties:
34 jaar na een niet-operatief behandelde VKB-scheur werd
tot 86 procent genoteerd (5, 6). Deze studies onderzochten
patiënten die zich lieten onderzoeken voor een functiever-
lies van de knie die uiteindelijk werd toegeschreven aan
een min of meer oude VKB-scheur. Deze selectiemethode
sluit mensen uit die hun VKB scheurden maar daarvoor
niet op consultatie kwamen. Het gevolg is dat de kans op
een nadelige evolutie van een VKB-scheur wordt overschat.
De juiste verhouding patiënten die zich laten behandelen
voor functieverlies als gevolg van een gescheurde VKB, is
momenteel niet bekend. We kunnen dus geen prognose
bepalen om de therapeutische keuze op te baseren.
Na operatieve reconstructie van de VKB varieert de waar-
genomen frequentie van abnormale radiografieën na een
follow-up van gemiddeld 5 tot 15 jaar (7-22) van 10 tot
71 procent. Dat resultaat ligt in de lijn van de studies over
een conservatieve behandeling. Het grote verschil in fre-
quentie van radiografieën die in alle studies als abnormaal
worden omschreven, kan worden toegeschreven aan een
selectiebias. De onderzochte patiënten verschillen op het
vlak van leeftijd, geslacht, sportactiviteit, geassocieerde
meniscusletsels, inclusiecriteria of tijd verstreken tussen
het trauma en de inclusie in de studie. Bovendien zijn de
radiologische technieken niet gestandaardiseerd en ver-
schillen ook de criteria waarmee artrose wordt gedefinieerd.
De diagnose van artrose kan zoals we weten enkel worden
gesteld als het kraakbeen is beschadigd. Een kraakbeenlet-
sel vernauwt de gewrichtsspleet, en alleen als dat het geval
is kunnen we artrose diagnosticeren. Kraakbeenletsels
stemmen overeen met stadium I van Ahlbäck (23) of sta-
dium II van Kellgren en Lawrence (24), als de vernauwing
miniem is en kleiner dan 50 procent van de hoogte van de
gewrichtsspleet in een gezonde knie (Figuur 1a). Som-
mige onderzoekers spreken echter van artrose als op de
radiografie een lichte afplatting van de condyl te zien is, os-
teofieten op de gewrichtsranden of op de spina tibiale, ook
als de gewrichtsspleet niet is vernauwd. Dat stemt overeen
met stadium I van Kellgren en Lawrence (Figuur 1b).
Fairbank bestudeerde de pre- en postoperatieve radiogra-
fieën van 107 patiënten bij wie 3 maanden tot 14 jaar eerder
de meniscus werd verwijderd (25). Hij beschreef drie soor-
ten radiologische veranderingen: botachtige ridgevorming
langs de mediale rand van de binnenste condyl, afplatting
figuur 1a: radiografie van stadium I van ahlbäck, stadium II van
Kellgren en lawrence of graad C van het IKdC-formulier.