(VKB) `het begin van het einde' betekende (`the beginning of the end') voor de knie (1). Over welke middelen beschik- ken we vandaag om de gewrichtsaftakeling veroorzaakt door een gescheurde VKB tegen te gaan? De voorbije 35 jaar brachten de zeer talrijke studies over de functionele anatomie van de VKB en de technische vooruitgang gelei- delijk aan verandering in de operatieve behandelingen. Die gaan tegenwoordig van extra-articulaire plastiek tot intra- articulaire reconstructies met behulp van peestransplan- taties volgens de simple, double of triple bundle-techniek. Steeds meer studies suggereren een vroege operatieve reconstructie van de gescheurde VKB om bijkomende me- niscusletsels of de kans op de ontwikkeling va onderbouwd of nog louter speculatief? Daarnaast hebben enkele studies uitgewezen dat bij de meeste patiënten met een unilaterale VKB-scheur goede functionele resultaten worden verkregen met een conser- vatieve behandeling. In een literatuuroverzicht overlopen we de resultaten van verschillende therapeutische benaderingen na een VKB- scheur. Zij kunnen de therapeuten helpen om voor al hun patiënten de beste behandeling te kiezen. om een radiografie te laten nemen omdat ze enkele jaren voordien een VKB scheurden die niet operatief werd be- handeld en al dan niet was geassocieerd met andere let- sels, bedraagt de incidentie van beelden die een vernauwde gewrichtsspleet aantonen 24 procent na een gemiddelde termijn van 8,5 jaar (2) of 31 procent na 15 jaar (3). Oudere retrospectieve studies rapporteren veel hogere incidenties: 34 jaar na een niet-operatief behandelde VKB-scheur werd tot 86 procent genoteerd (5, 6). Deze studies onderzochten patiënten die zich lieten onderzoeken voor een functiever- lies van de knie die uiteindelijk werd toegeschreven aan een min of meer oude VKB-scheur. Deze selectiemethode sluit mensen uit die hun VKB scheurden maar daarvoor niet op consultatie kwamen. Het gevolg is dat de kans op een nadelige evolutie van een VKB-scheur wordt overschat. De juiste verhouding patiënten die zich laten behandelen voor functieverlies als gevolg van een gescheurde VKB, is momenteel niet bekend. We kunnen dus geen prognose bepalen om de therapeutische keuze op te baseren. genomen frequentie van abnormale radiografieën na een follow-up van gemiddeld 5 tot 15 jaar (7-22) van 10 tot een conservatieve behandeling. Het grote verschil in fre- quentie van radiografieën die in alle studies als abnormaal worden omschreven, kan worden toegeschreven aan een selectiebias. De onderzochte patiënten verschillen op het vlak van leeftijd, geslacht, sportactiviteit, geassocieerde meniscusletsels, inclusiecriteria of tijd verstreken tussen het trauma en de inclusie in de studie. Bovendien zijn de radiologische technieken niet gestandaardiseerd en ver- schillen ook de criteria waarmee artrose wordt gedefinieerd. De diagnose van artrose kan zoals we weten enkel worden gesteld als het kraakbeen is beschadigd. Een kraakbeenlet- sel vernauwt de gewrichtsspleet, en alleen als dat het geval is kunnen we artrose diagnosticeren. Kraakbeenletsels stemmen overeen met stadium I van Ahlbäck (23) of sta- dium II van Kellgren en Lawrence (24), als de vernauwing miniem is en kleiner dan 50 procent van de hoogte van de gewrichtsspleet in een gezonde knie (Figuur 1a). Som- mige onderzoekers spreken echter van artrose als op de radiografie een lichte afplatting van de condyl te zien is, os- teofieten op de gewrichtsranden of op de spina tibiale, ook als de gewrichtsspleet niet is vernauwd. Dat stemt overeen met stadium I van Kellgren en Lawrence (Figuur 1b). fieën van 107 patiënten bij wie 3 maanden tot 14 jaar eerder de meniscus werd verwijderd (25). Hij beschreef drie soor- ten radiologische veranderingen: botachtige ridgevorming langs de mediale rand van de binnenste condyl, afplatting |