background image
OrthO-rheumatO | VOL 10 | Nr 6 | 2012
37
voorspellen van therapeutIsChe respons
BIj dermatomyosItIs en polymyosItIs
Rohid Aggarwal (Pittsburgh) heeft klinische en serolo-
gische voorspellende factoren voor respons onderzocht
bij volwassenen en kinderen met myositis (19). In de door
hem voorgestelde studie kregen 200 patiënten met myo-
sitis een behandeling van acht weken rituximab gevolgd
door placebo, of eerst acht weken placebo en dan pas ri-
tuximab. De deelnemende patiënten leden aan polymyo-
sitis of dermatomyositis van volwassenen of aan juveniele
dermatomyositis. Ze werden dan 44 weken opgevolgd.
Maandelijks werden de core set measures voor myositis
gemeten. Verbetering werd gedefinieerd als een verbete-
ring van drie van de zes core set measures met minstens
20 procent en niet meer dan twee core set measures die
minstens 25 procent toenemen. De manuele spiertest kon
niet gebruikt worden voor evaluatie van verslechtering.
Het primaire eindpunt van de studie was een vergelijking
van de tijd tot verbetering tussen de groep met vroegtijdig
rituximab en de groep met laattijdig rituximab. Er bleek
geen significant verschil te zijn qua primair eindpunt tus-
sen beide groepen (p = 0,74). In totaal behaalde 83 procent
van de patiënten verbetering over de duur van de klinische
studie van 44 weken. De spreker heeft verder nagekeken of
er voorspellende factoren voor tijd tot verbetering geïden-
tificeerd konden worden. Multivariaatanalyse bracht hier
aan het licht dat aanwezigheid van Jo-1-autoantilichamen
en Mi-2-autoantilichamen een gunstige invloed hadden op
de tijd tot verbetering, met hazard ratio's van respectieve-
lijk 3,08 en 2,5 (steeds p < 0,01). Een geringe totale schade
door ziekte en juveniele dermatomyositis gingen in de ee-
rste acht weken eveneens gepaard met een snellere tijd tot
verbetering, maar na 20 weken was dit effect verdwenen.
Rohid Aggarwal concludeert dat de aard van de autoanti-
lichamen de sterkste prognostische markers zijn bij myositis.
aBataCept versus adalImumaB
BIj reumatoïde artrItIs
Michael Weinblatt (Boston) komt toelichting geven bij de
resultaten van de AMPLE-studie, een studie die abatacept,
een inhibitor van de activiteit van T-lymfocyten, met de
TNF-remmer adalimumab vergeleek, steeds in combinatie
met methotrexaat (20). De deelnemende patiënten hadden
allen een ontoereikende respons behaald met methotrexaat
en waren voordien nooit met een biological behandeld. De
resultaten van die studie werden eerder dit jaar ook al op
het EULAR-congres voorgesteld en in Ortho-Rheumato
(vol. 10 nr. 4) gepubliceerd. De resultaten kunt u daar nale-
zen, net als op de website www.ortho-rheumato.be.
fIBromyalgIe en BIndIng aan
de -opIoïdreCeptor
Richard Harris (Michigan) stelt de resultaten voor van een
longitudinale studie met fMRI- en PET-beeldvorming bij
patiënten met fibromyalgie (21). Die moest meer duide-
lijkheid scheppen over de eerder vastgestelde sterkere res-
pons op pijnstimuli, toegenomen productie van endogene
opioïden en verminderde binding aan de µ-opioïdreceptor
bij deze aandoening.
Richard Harris start met erop te wijzen dat vooral centrale
pijnmechanismen een rol spelen bij fibromyalgie, meer
dan perifeer nociceptieve of neuropathische mechanis-
men. Die centrale mechanismen leiden tot een verstoring
van de pijnverwerking in het centrale zenuwstelsel. Farma-
cologische evidentie voor de behandeling van fibromyalgie
is het sterkst voor tricyclische antidepressiva en heropna-
meremmers van zowel serotonine als noradrenaline. Over
opioïden bestaat er volgens Richard Harris in deze indica-
tie nauwelijks evidentie (22).
In het nu voorgestelde onderzoek werd nagekeken of een
verband bestond tussen de geringere receptorbinding aan
de µ-opioïdreceptor en de respons van de hersenen op uit-
gelokte pijn. Het onderzoek gebeurde bij 18 vrouwen met
fibromyalgie die over vier weken verschillende niet-farma-
cologische behandelingen kregen. Bij aanvang en na die
vier weken gebeurde fMRI-beeldvorming voor registratie
van uitgelokte pijn en PET-beeldvorming voor visualise-
ring van de µ-opioïdreceptor.
Het bleek dat meerdere regio's in de hersenen sterk nega-
tieve correlaties vertoonden tussen veranderingen van de
fMRI-respons en veranderingen van de bindingspotenti-
aal voor de µ-opioïdreceptor. Ook waren afnames van de
bindingspotentiaal voor de µ-opioïdreceptor geassocieerd
met een grotere pijnrespons bij fMRI-onderzoek, een
maat voor hyperalgesie. In de linkerinsula, het putamen
en amygdala was een sterkere afname van binding op de
µ-opioïdreceptor geassocieerd met een sterkere toename
van klinische pijn. In de dorsolaterale prefrontale cortex
werd duidelijk een omgekeerde correlatie opgemerkt, een
gebied waarvan bekend is dat het tussenkomt bij inhibitie
van de pijngewaarwording, waardoor de pijngewaarwor-
ding dus ook versterkt wordt.
Richard Harris concludeert dat fibromyalgie bij sommige
patiënten te wijten kan zijn aan door endogene opioïden
geïnduceerde hyperalgesie, zoals geïnduceerde hyperalgesie
ook een bijwerking kan zijn van exogeen toegediende
opioïden. Misschien zijn volgens de spreker sommige patiën-
ten hypothetisch gebaat bij therapie met opioïdreceptor-
antagonisten.