BIj dermatomyosItIs en polymyosItIs gische voorspellende factoren voor respons onderzocht bij volwassenen en kinderen met myositis (19). In de door hem voorgestelde studie kregen 200 patiënten met myo- sitis een behandeling van acht weken rituximab gevolgd door placebo, of eerst acht weken placebo en dan pas ri- tuximab. De deelnemende patiënten leden aan polymyo- sitis of dermatomyositis van volwassenen of aan juveniele dermatomyositis. Ze werden dan 44 weken opgevolgd. Maandelijks werden de core set measures voor myositis gemeten. Verbetering werd gedefinieerd als een verbete- ring van drie van de zes core set measures met minstens 20 procent en niet meer dan twee core set measures die minstens 25 procent toenemen. De manuele spiertest kon niet gebruikt worden voor evaluatie van verslechtering. van de tijd tot verbetering tussen de groep met vroegtijdig rituximab en de groep met laattijdig rituximab. Er bleek geen significant verschil te zijn qua primair eindpunt tus- sen beide groepen (p = 0,74). In totaal behaalde 83 procent van de patiënten verbetering over de duur van de klinische studie van 44 weken. De spreker heeft verder nagekeken of er voorspellende factoren voor tijd tot verbetering geïden- tificeerd konden worden. Multivariaatanalyse bracht hier aan het licht dat aanwezigheid van Jo-1-autoantilichamen en Mi-2-autoantilichamen een gunstige invloed hadden op de tijd tot verbetering, met hazard ratio's van respectieve- lijk 3,08 en 2,5 (steeds p < 0,01). Een geringe totale schade door ziekte en juveniele dermatomyositis gingen in de ee- rste acht weken eveneens gepaard met een snellere tijd tot verbetering, maar na 20 weken was dit effect verdwenen. lichamen de sterkste prognostische markers zijn bij myositis. BIj reumatoïde artrItIs resultaten van de AMPLE-studie, een studie die abatacept, een inhibitor van de activiteit van T-lymfocyten, met de TNF-remmer adalimumab vergeleek, steeds in combinatie met methotrexaat (20). De deelnemende patiënten hadden allen een ontoereikende respons behaald met methotrexaat en waren voordien nooit met een biological behandeld. De resultaten van die studie werden eerder dit jaar ook al op het EULAR-congres voorgesteld en in Ortho-Rheumato (vol. 10 nr. 4) gepubliceerd. De resultaten kunt u daar nale- zen, net als op de website www.ortho-rheumato.be. de -opIoïdreCeptor longitudinale studie met fMRI- en PET-beeldvorming bij patiënten met fibromyalgie (21). Die moest meer duide- lijkheid scheppen over de eerder vastgestelde sterkere res- pons op pijnstimuli, toegenomen productie van endogene opioïden en verminderde binding aan de µ-opioïdreceptor bij deze aandoening. pijnmechanismen een rol spelen bij fibromyalgie, meer dan perifeer nociceptieve of neuropathische mechanis- men. Die centrale mechanismen leiden tot een verstoring van de pijnverwerking in het centrale zenuwstelsel. Farma- cologische evidentie voor de behandeling van fibromyalgie is het sterkst voor tricyclische antidepressiva en heropna- meremmers van zowel serotonine als noradrenaline. Over opioïden bestaat er volgens Richard Harris in deze indica- tie nauwelijks evidentie (22). verband bestond tussen de geringere receptorbinding aan de µ-opioïdreceptor en de respons van de hersenen op uit- gelokte pijn. Het onderzoek gebeurde bij 18 vrouwen met fibromyalgie die over vier weken verschillende niet-farma- cologische behandelingen kregen. Bij aanvang en na die vier weken gebeurde fMRI-beeldvorming voor registratie van uitgelokte pijn en PET-beeldvorming voor visualise- ring van de µ-opioïdreceptor. tieve correlaties vertoonden tussen veranderingen van de fMRI-respons en veranderingen van de bindingspotenti- aal voor de µ-opioïdreceptor. Ook waren afnames van de bindingspotentiaal voor de µ-opioïdreceptor geassocieerd met een grotere pijnrespons bij fMRI-onderzoek, een maat voor hyperalgesie. In de linkerinsula, het putamen en amygdala was een sterkere afname van binding op de µ-opioïdreceptor geassocieerd met een sterkere toename van klinische pijn. In de dorsolaterale prefrontale cortex werd duidelijk een omgekeerde correlatie opgemerkt, een gebied waarvan bekend is dat het tussenkomt bij inhibitie van de pijngewaarwording, waardoor de pijngewaarwor- ding dus ook versterkt wordt. patiënten te wijten kan zijn aan door endogene opioïden geïnduceerde hyperalgesie, zoals geïnduceerde hyperalgesie ook een bijwerking kan zijn van exogeen toegediende opioïden. Misschien zijn volgens de spreker sommige patiën- ten hypothetisch gebaat bij therapie met opioïdreceptor- antagonisten. |