gewrichtsspleet. Aan de hand van artrografieën toonde hij aan dat de marginale ridge was gevormd uit bot en dat het gewrichtskraakbeen nog aanwezig was. Hij besloot daaruit dat de meniscectomie de gewrichtsmechanica had veran- derd en dat de vernauwing van de gewrichtsspleet waar- schijnlijk wees op een evolutie naar degeneratieve verande- ringen in de knie. Hij stelde echter nooit een radiografische classificatie van artrose voor. Toch gebruiken sommige onderzoekers een classificatie volgens de criteria van Fair- bank in 4 stadia van 0 tot III en spreken ze van artrose vanaf graad I, als de radiografie enkele osteofieten en een remodelling van de condyl aantoont zonder vernauwing van de gewrichtsspleet. Volgens anderen worden deze radiologische veranderingen frequent waargenomen na een meniscectomie, maar volstaan ze niet om een diagnose van artrose te bevestigen (4). De incidentie van artrose in publicaties die deze diagnose verkiezen als de radiografie een stadium I van Ahlbäck illustreert, is steeds lager dan in studies volgens welke artrose aanwezig is vanaf graad I van Fairbank. In de studie van Lidén et al. zijn radiografische tekenen van artrose aanwezig bij 23 of 74 procent van de patiënten, naargelang respectievelijk de classificatie van Ahlbäck wordt gebruikt of de criteria van Fairbank (17). In het IKDC-formulier (International Knee Documentation Committee) wordt een radiografie die enkele osteofieten, een lichte sclerose of een afplatting van de condyl aantoont dan 4 millimeter bedraagt, beschouwd als `bijna normaal'. Het resultaat kan dan als `goed' worden geklasseerd (26) (Figuur 1a). Het verdient dus de voorkeur om slechts van artrose te spreken als de gewrichtsspleet is vernauwd en de radiografieën werden gemaakt volgens de aanbevelingen van het IKDC-formulier, namelijk in staande houding en met de knie ongeveer 30 graden gebogen (26) (Figuren 1a, b en c). Anders gezegd: de röntgenstraal moet evenwij- dig lopen met het vlak van de tibiale plateaus. Omdat de posterieure helling van de tibiale plateaus verschilt van pa- tiënt tot patiënt, kan de buighoek van de knie om de tibiale plateaus evenwijdig met de vloer te laten lopen terwijl de patiënt rechtstaat, variëren van 1 tot 30 graden (27). fische classificaties, waarvan overigens ook de interpretatie kan variëren van onderzoeker tot onderzoeker en dan hadden we het nog niet over het feit dat verschillende ziekenhuiscentra er verschillende radiologische technieken op nahouden verklaren waarom de studies zo'n afwijkende incidenties van artrose rapporteren. Dat bleek ook uit twee recente literatuuroverzichten, die bevestigen dat de incidentie van artrose die radiologisch wordt geïllustreerd door een beginnende vernauwing van de gewrichtsspleet, in de series met reconstructie van de VKB niet lager is dan in de series zonder reconstructie (28, 29). |