background image
OrthO-rheumatO | VOL 10 | Nr 6 | 2012
19
van de onderkant van de condyl en vernauwing van de
gewrichtsspleet. Aan de hand van artrografieën toonde hij
aan dat de marginale ridge was gevormd uit bot en dat het
gewrichtskraakbeen nog aanwezig was. Hij besloot daaruit
dat de meniscectomie de gewrichtsmechanica had veran-
derd en dat de vernauwing van de gewrichtsspleet waar-
schijnlijk wees op een evolutie naar degeneratieve verande-
ringen in de knie. Hij stelde echter nooit een radiografische
classificatie van artrose voor. Toch gebruiken sommige
onderzoekers een classificatie volgens de criteria van Fair-
bank in 4 stadia van 0 tot III en spreken ze van artrose
vanaf graad I, als de radiografie enkele osteofieten en een
remodelling van de condyl aantoont zonder vernauwing
van de gewrichtsspleet. Volgens anderen worden deze
radiologische veranderingen frequent waargenomen na
een meniscectomie, maar volstaan ze niet om een diagnose
van artrose te bevestigen (4). De incidentie van artrose in
publicaties die deze diagnose verkiezen als de radiografie
een stadium I van Ahlbäck illustreert, is steeds lager dan in
studies volgens welke artrose aanwezig is vanaf graad I van
Fairbank. In de studie van Lidén et al. zijn radiografische
tekenen van artrose aanwezig bij 23 of 74 procent van de
patiënten, naargelang respectievelijk de classificatie van
Ahlbäck wordt gebruikt of de criteria van Fairbank (17). In
het IKDC-formulier (International Knee Documentation
Committee
) wordt een radiografie die enkele osteofieten,
een lichte sclerose of een afplatting van de condyl aantoont
maar waarop de hoogte van de gewrichtsspleet nog meer
dan 4 millimeter bedraagt, beschouwd als `bijna normaal'.
Het resultaat kan dan als `goed' worden geklasseerd (26)
(Figuur 1a). Het verdient dus de voorkeur om slechts van
artrose te spreken als de gewrichtsspleet is vernauwd en de
radiografieën werden gemaakt volgens de aanbevelingen
van het IKDC-formulier, namelijk in staande houding en
met de knie ongeveer 30 graden gebogen (26) (Figuren
1a, b en c
). Anders gezegd: de röntgenstraal moet evenwij-
dig lopen met het vlak van de tibiale plateaus. Omdat de
posterieure helling van de tibiale plateaus verschilt van pa-
tiënt tot patiënt, kan de buighoek van de knie om de tibiale
plateaus evenwijdig met de vloer te laten lopen terwijl de
patiënt rechtstaat, variëren van 1 tot 30 graden (27).
Kortom, deze verschillen tussen de verschillende radiogra-
fische classificaties, waarvan overigens ook de interpretatie
kan variëren van onderzoeker tot onderzoeker ­ en dan
hadden we het nog niet over het feit dat verschillende
ziekenhuiscentra er verschillende radiologische technieken
op nahouden ­ verklaren waarom de studies zo'n afwijkende
incidenties van artrose rapporteren. Dat bleek ook uit
twee recente literatuuroverzichten, die bevestigen dat de
incidentie van artrose die radiologisch wordt geïllustreerd
door een beginnende vernauwing van de gewrichtsspleet,
in de series met reconstructie van de VKB niet lager is dan
in de series zonder reconstructie (28, 29).
figuur 1c: radiografie van stadium III van Kellgren en lawrence of
graad d van het IKdC-formulier.
figuur 1b: radiografie van stadium I van de classificatie van
Kellgren en lawrence of graad B van het IKdC-formulier.