Naam van het geneesmiddel RoActemra, 20mg/ml concentraat voor oplossing voor infusie. doorschijnende, kleurloze tot lichtgele oplossing. Elke ml concentraat bevat 20mg tocilizumab. Elke 4 ml injectieflacon bevat 80mg tocilizumab (20mg/ml) en 0,10 mmol (2,21mg) natrium. Elke 10 ml injectieflacon bevat 200mg tocilizumab (20mg/ ml) en 0,20 mmol (4,43mg) natrium. Elke 20 ml injectieflacon bevat 400mg tocilizumab (20mg/ml) en 0,39 mmol (8,85mg) natrium. Tocilizumab is een gehumaniseerd IgG1 monoklonaal antilichaam tegen de humane interleukine-6 (IL- 6) receptor geproduceerd in Chinese hamsterovariumcellen (CHO) door recombinant DNA technologie. patiënten van 2 jaar of ouder met een ontoereikende respons op eerdere behandeling met NSAID's en systemische corticosteroïden. RoActemra kan als monotherapie worden gegeven (in geval van onverdraagbaarheid van MTX of wanneer behandeling met MTX niet geschikt is) of in combinatie met MTX. behandelaar die ervaring heeft met diagnose en behandeling van sJIA. De patiëntenkaart dient te worden verstrekt aan alle patiënten die met RoActemra worden behandeld. Dosering De veiligheid en werkzaamheid van RoActemra bij patiënten jonger dan 2 jaar is niet vastgesteld. Er zijn geen gegevens beschikbaar. De aanbevolen dosering is 8mg/kg eenmaal per 2 weken bij patiënten die 30 kg of meer wegen, of 12mg/kg eenmaal per 2 weken bij patiënten die minder dan 30 kg wegen. De dosis dient berekend te worden op basis van het lichaamsgewicht van de patiënt bij elke toediening. Een wijziging in de dosis dient alleen gebaseerd te zijn op een consistente verandering in het lichaamsgewicht van de patiënt in de tijd. Doseringsaanpassingen als gevolg van laboratoriumafwijkingen Bij afwijkingen in laboratoriumonderzoek worden onderbrekingen van de toediening van tocilizumab aanbevolen bij sJIA-patiënten zoals onderstaand vermeld. Indien passend, dient de dosis van gelijktijdig toegediend MTX en/of andere geneesmiddelen aangepast te worden of dient toediening hiervan te worden gestaakt, en dient toediening van tocilizumab onderbroken te worden totdat de klinische situatie geëvalueerd is. Aangezien er bij sJIA veel comorbide aandoeningen zijn die invloed kunnen hebben op laboratoriumonderzoek, dient de beslissing om te stoppen met tocilizumab bij een afwijking in het laboratoriumonderzoek gebaseerd te zijn op de medische beoordeling van de individuele patiënt. Leverenzymafwijkingen Laboratoriumwaarde > 1 tot 3 x Upper Limit of Normal (ULN): Aanpassing dosis van gelijktijdig gebruikte MTX, indien aangewezen. Bij aanhoudende stijging binnen deze range, onderbreek tijdelijk de behandeling met RoActemra totdat ALT/AST zijn genormaliseerd. Laboratoriumwaarde > 3 tot 5 x ULN: Aanpassing dosis van gelijktijdig gebruikte MTX, indien aangewezen. Onderbreek tijdelijk de behandeling met RoActemra totdat < 3x ULN en volg de aanbevelingen hierboven voor >1 tot 3x ULN. Laboratoriumwaarde > 5 x ULN: Staak de behandeling met RoActemra. Laag absoluut aantal neutrofielen (ANC) Laboratoriumwaarde ANC > 1 x 109/l : Handhaaf de dosering. ANC 0,5 - 1 x 109/l: Onderbreek tijdelijk de behandeling met RoActemra. Wanneer ANC toeneemt tot > 1 x 109/l, hervat RoActemra. ANC < 0,5 x 109/l: Staak de behandeling met RoActemra. Lage trombocytenaantallen Laboratoriumwaarde 50 tot <100 x 103/l: Aanpassing dosis van gelijktijdig gebruikte MTX, indien aangewezen. Onderbreek tijdelijk de behandeling met RoActemra. Wanneer trombocytenaantal > 100 x 103/l, hervat RoActemra. Laboratoriumwaarde < 50 x 103/l: Staak de behandeling met RoActemra. De beschikbare gegevens suggereren dat klinische verbetering wordt gezien binnen 6 weken na het starten van de behandeling met RoActemra. Voortzetten van de therapie moet zorgvuldig worden overwogen bij een patiënt die binnen deze tijd geen verbetering laat zien. Speciale populaties Ouderen: Er is geen aanpassing van de dosering noodzakelijk bij patiënten van 65 jaar en ouder. Nierfunctiestoornissen: Er is geen aanpassing van de dosering noodzakelijk bij patiënten met milde nierfunctiestoornissen. RoActemra is niet onderzocht bij patiënten met matige of ernstige nierfunctiestoornissen. Bij deze patiënten dient de nierfunctie nauwgezet te worden gecontroleerd. Leverfunctiestoornissen: RoActemra is niet onderzocht bij patiënten met verstoorde leverfunctie. Daarom kunnen geen aanbevelingen worden gedaan met betrekking tot de dosering. Wijze van toediening Na verdunning dient RoActemra voor sJIA- patiënten als intraveneuze infusie te worden toegediend gedurende 1 uur. sJIA- patiënten 30 kg: RoActemra dient aseptisch te worden verdund tot een eindvolume van 100 ml, met steriele, pyrogeenvrije 9mg/ml (0,9%) natriumchloride oplossing voor injectie. sJIA-patiënten < 30 kg: RoActemra dient aseptisch te worden verdund tot een eindvolume van 50 ml, met steriele, pyrogeenvrije natriumchloride 9mg/ml (0,9%) oplossing voor injectie. Bijwerkingen Bijwerkingen bij sJIA-patiënten De veiligheid van tocilizumab bij sJIA is onderzocht bij 112 patiënten van 2 tot 17 jaar oud. Tijdens de 12-weekse dubbelblinde gecontroleerde fase kregen 75 patiënten de behandeling met tocilizumab (8mg/kg of 12mg/kg op basis van lichaamsgewicht). Na 12 weken of bij het overgaan op tocilizumab vanwege verergering van de ziekte, werden patiënten behandeld in de voortgaande open label extensiefase. In het algemeen waren de met die gezien bij RA-patiënten (voor de bijwerkingen bij volwassen RA-patiënten zie hieronder). Infecties: Tijdens de 12-weekse gecontroleerde fase was het aantal infecties in de tocilizumabgroep 344,7 per 100 patiëntjaren en 287,0 per 100 patiëntjaren in de placebogroep. Bij de voortgaande open label extensiefase (deel II), was het aantal infecties in totaal vergelijkbaar, 306,6 per 100 patiëntjaren. Tijdens de 12-weekse gecontroleerde fase was het aantal ernstige infecties in de tocilizumabgroep 11,5 per 100 patiëntjaren. Na één jaar in de voortgaande open label extensiefase bleef het totale aantal ernstige infecties stabiel op 11,3 per 100 patiëntjaren. Gemelde ernstige infecties waren vergelijkbaar met die gezien bij RA-patiënten met toevoeging van varicella en otitis media. Infusiereacties: Infusiegerelateerde reacties zijn gedefinieerd als alle voorvallen die optreden tijdens of binnen 24 uur na een infusie. Tijdens de 12-weekse gecontroleerde fase, kreeg 4% van de patiënten uit de tocilizumabgroep een voorval dat optrad tijdens de infusie. Eén voorval (angio-oedeem) werd als ernstig en levensbedreigend beschouwd en de patiënt kreeg geen verdere studiebehandeling. Tijdens de 12-weekse gecontroleerde fase kreeg 16% van de patiënten in de tocilizumabgroep en 5,4% van de patiënten in de placebogroep een voorval binnen 24 uur na de infusie. In de tocilizumabgroep omvatten de voorvallen onder andere huiduitslag, urticaria, diarree, epigastrisch ongemak, artralgie en hoofdpijn. Eén van de voorvallen, urticaria, werd als ernstig beschouwd. Klinisch significante overgevoeligheidsreacties geassocieerd met tocilizumab, waarvoor staken van de behandeling nodig was, werden gemeld bij 1 van de 112 patiënten (< 1%) die met tocilizumab waren behandeld tijdens de gecontroleerde en tot en met de open label klinische studie. Immunogeniciteit: Alle 112 patiënten zijn getest op antilichamen tegen tocilizumab op baseline. Twee patiënten ontwikkelden antilichamen tegen tocilizumab en één van deze patiënten had een overgevoeligheidsreactie die leidde tot terugtrekking. Het is mogelijk dat de incidentie van het vormen van antilichamen tegen tocilizumab onderschat wordt, door interferentie van tocilizumab met de assay en doordat bij kinderen hogere geneesmiddelconcentraties zijn gezien dan bij volwassenen. Neutrofielen: Bij routinelaboratoriumonderzoek tijdens de 12-weekse gecontroleerde fase trad een daling in het aantal neutrofielen tot onder de 1 x 109/l op bij 7% van de patiënten in de tocilizumabgroep tegen geen daling bij de placebogroep. Tijdens de voortgaande open label extensiefase trad een daling in het aantal neutrofielen tot onder de 1 x 109/l op bij 15% van de tocilizumabgroep. Er was geen duidelijke relatie tussen dalingen in neutrofielen onder de 1 x 109/l en het optreden van ernstige infecties. Trombocyten: Bij routinelaboratoriumonderzoek tijdens de 12-weekse gecontroleerde fase had 3% van de patiënten in de placebogroep en 1% in de tocilizumabgroep een daling in het aantal trombocyten tot 100 x 103/µl. Tijdens de voortgaande open label extensiefase trad een daling in het aantal trombocyten tot onder de 100 x 103/µl op bij 3% van de patiënten in de tocilizumabgroep, zonder geassocieerde bloedingen. Stijging van levertransaminasen: Tijdens routinelaboratoriumonderzoek tijdens de 12-weekse gecontroleerde fase trad een stijging in ALT of AST van 3 x ULN op bij resp. 5% en 3% van de patiënten in de tocilizumabgroep en 0% in de placebogroep. Tijdens de voortgaande open label extensiefase trad een stijging in ALT of AST van 3 x ULN op bij resp. 12% en 4% van de patiënten in de tocilizumabgroep. Immunoglobuline G: Het gehalte IgG daalde tijdens de behandeling. Een afname tot de ondergrens van normaal trad gedurende enig moment van de studie op bij 15 patiënten. Lipideparameters: Tijdens routinelaboratoriumonderzoek tijdens de 12-weekse gecontroleerde fase trad een stijging in totaal cholesterol van > 1,5 x ULN tot 2 x ULN op bij 1,5% van de tocilizumabgroep tegen geen in de placebogroep. Een stijging van LDL van > 1,5 x ULN tot 2 x ULN trad op bij 1,9% van de patiënten in de tocilizumabgroep tegen 0% in de placebogroep. Tijdens de voortgaande open label extensiefase bleven patroon en incidentie van de stijgingen in lipideparameters consistent met de data uit de 12-weekse gecontroleerde fase. Bijwerkingen bij volwassen RA patiënten Hieronder wordt een samenvatting gegeven van de bijwerkingen bij patiënten met RA tijdens het gebruik van tocilizumab als monotherapie of in combinatie met MTX of een andere DMARD in de dubbelblinde gecontroleerde periode. Zeer vaak (1/10): bovenste luchtweg infecties en hypercholesterolemie (omvat verhogingen welke verzameld zijn via routinematige controles in een laboratorium). Vaak (1/100, <1/10) : cellulitis, pneumonie, orale herpes simplex, herpes zoster, buikpijn, ulceraties in de mond, gastritis, huiduitslag, pruritus, urticaria, hoofdpijn, duizeligheid, stijging levertransaminasen, gewichtstoename, stijging totaal bilirubine (omvat verhogingen welke verzameld zijn via routinematige controles in een laboratorium), hypertensie, leukopenie, neutropenie, perifeer oedeem, overgevoeligheidsreacties, conjunctivitis, hoesten en dyspneu. Soms (1/1.000, <1/100): diverticulitis, stomatitis, maagulcus, hypertriglyceridemie, nefrolithiase en hypothyreoïdie. Houder van de vergunning voor het in handel brengen Roche Registration Limited. Verenigd Koninkrijk. eerste verlening van de vergunning 16 januari 2009 Datum van herziening van de tekst 25 mei 2012. Op medisch voorschrift. Volledige wetenschappelijke informatie op aanvraag. tourniquet en CompliCaties erVan in heelKunDe Van het onDerste liDmaat van de anatomische structuren en versnelt de procedure. Ofschoon dit een zeer frequent gebruikte techniek is, kan het een ischemie-reperfusieletsel veroorzaken met mogelijk schadelijke gevolgen. De complicaties van het gebruik van een pneumatische garrot zijn onder andere postoperatieve stijfheid, vertraging van herstel van spierkracht, neuropraxie, wondhematoom met kans op infectie, vasculaire letsels, weefselnecrose en compartiment- syndroom. Er kunnen ook systemische complicaties voorkomen. De incidentie van com- plicaties kan teruggedrongen worden door het gebruik van bredere garrots, zorgvuldige preoperatieve patiëntenevaluatie en het strikt volgen van de aanbevelingen voor het garrotgebruik. r t ho verspreide techniek in de orthopedische chirurgie. Men mag echter niet vergeten dat deze techniek ook potentiële complicaties kan hebben, die verminderd kunnen worden door het begrijpen van de principes van het gebruik van de garrot en het zorgvuldig screenen van patiënten. Het frequente gebruik van de pneumatische garrot heeft ertoe geleid dat vele chirurgen de potentiële complicaties van deze techniek onderschatten (1). Ook al zijn de moderne tourniquets ontworpen om de incidentie van potentiële complicaties te beperken, toch is het gebruik ervan ge- associeerd met mogelijk ernstige morbiditeit en zelfs morta- liteit. Het doel van deze literatuurstudie is inzicht te verschaffen in de potentiële risico's en complicaties van het gebruik van pneumatische garrots en aanbevelingen te verstrekken voor het veilige gebruik van deze techniek. bekend was, werd het principe voor het eerst in 1718 door Jean Louis Petit wereldkundig gemaakt onder de bena- ming `tourniquet'. Deze term is afgeleid van het Franse `tourner', draaien. Hij beschreef een nieuw schroefachtig apparaat dat een band aanspande totdat de arteriële bloedflow gestopt werd (2). Bij de komst van de algemene anesthesie werd gebruik van de tourniquet tijdens opera- ties mogelijk. Het was Joseph Lister die in 1864 als eerste de tourniquet gebruikte om een bloedleeg operatieveld te verkrijgen. Aan het einde van de 19 een platte rubbere band te ontwerpen voor de exsangui- natie van het lidmaat en het stoppen van de bloedflow. In 1904 introduceerde Harvey Cushing de eerste opblaasbare tourniquet, waarbij men de tourniquetdruk kon monitoren en manueel kon aanpassen (3). |