background image
OrthO-rheumatO | VOL 10 | Nr 6 | 2012
20
Kan operatIeve reConstruCtIe van de vKB
de evolutIe naar artrose vermIjden?
Een onweerlegbaar antwoord op deze vraag kan enkel
worden verkregen door de resultaten bij patiënten met of
zonder VKB-reconstructie met elkaar te vergelijken. Som-
mige studies concluderen dat de radiologische incidentie
van artrose in de beide groepen niet verschilt (30-33), een
andere studie wijst op een significant hogere incidentie
bij patiënten van wie de VKB werd gereconstrueerd door
transplantatie van de patellapees (34). In deze laatste stu-
die zien we een aanzienlijke selectiebias: de niet-geope-
reerde patiënten hebben immers een lagere tegnerscore
en een kleinere gewrichtslaxiteit dan de patiënten die wel
werden geopereerd.
Fink et al. stelden hun resultaten voor nadat ze patiënten
met en zonder VKB-reconstructie gedurende 11 jaar had-
den opgevolgd (11). De incidentie van radiografieën die
een zekere vernauwing van de gewrichtsspleet aan het licht
brachten, is in de beide groepen nagenoeg identiek, name-
lijk 48 procent bij patiënten met gereconstrueerde VKB en
50 procent bij patiënten die niet werden geopereerd. Wel
bleek het sportniveau van de niet-geopereerde patiënten
bij de finale evaluatie significant lager te zijn. Ook dat kan
het gevolg zijn van een selectiebias, aangezien de patiënt
zelf zijn behandeling ­ opereren of niet ­ kon kiezen. Het
is mogelijk dat mensen die minder gemotiveerd waren om
hetzelfde sportniveau aan te houden, eerder kozen voor
een conservatieve behandeling. Uit deze studie valt niet
af te leiden dat de reconstructie van de VKB latere artrose
kan voorkomen.
Een recentere studie geeft de resultaten van 109 patiënten
met een geïsoleerde VKB-scheur, dus zonder geassocieerd
meniscus- of kraakbeenletsel (15). De behandeling werd
gekozen na een bespreking tussen de chirurg en de patiënt,
los van het sportniveau dat die erop nahield. Na een obser-
vatieperiode van gemiddeld 11 jaar was de incidentie van
radiografieën die een vernauwing van de gewrichtsspleet
aan het licht brachten significant hoger bij de geopereerde
patiënten, terwijl er geen verschil werd waargenomen in de
verlaging van het sportniveau.
Dat operatieve reconstructie van de VKB de kans op evolu-
tie naar artrose zou verkleinen, wordt in geen enkele door
Olestad et al. gepubliceerde en herziene studie bevestigd
(28). Toch publiceerde een chirurgisch magazine met
een zeer groot lezerspubliek een hoofdartikel waarin het
bevestigt "dat een vroege operatieve reconstructie van de
gescheurde VKB de incidentie van artrose op lange ter-
mijn verlaagt"
(35). Deze volkomen tegenstrijdige bewe-
ringen en de aanhoudende controverse zijn het gevolg van
de afwijkende conclusies van studies waarvan de meeste
slechts kwaliteitsniveau III of IV halen, of V zoals in het
voornoemde hoofdartikel.
Is operatIeve reConstruCtIe van de vKB
een onmIsKenBare voorWaarde om Weer
te Kunnen sporten?
De resultaten van een meta-analyse van 48 studies wezen
uit dat de incidentie van de herneming van de sportacti-
viteit afhangt van het feit of de sport beroepsmatig werd
uitgeoefend of niet, van de duur van de follow-up en van
de datum van publicatie, dus de periode waarin de VKB
werd gereconstrueerd (36). Van de patiënten die meer dan
24 maanden na de operatie werden geëvalueerd, was 62
procent teruggekeerd naar hetzelfde, al dan niet professio-
nele sportniveau. Bij de beroepssporters was dat slechts
het geval voor 38 procent. Naargelang de patiënt gedu-
rende meer of minder dan 24 maanden was opgevolgd,
was respectievelijk 38 of 65 procent van de patiënten weer
professioneel gaan sporten. In de studies die werden gepu-
bliceerd voor of na het jaar 2000, werd herneming van de
professionele sportactiviteit waargenomen bij respectieve-
lijk 44 en 56 procent van de geopereerde patiënten. Dat
kan worden verklaard door een verbetering van de opera-
tietechnieken (36).
Studies die de operatieve en conservatieve behandeling
met elkaar vergeleken, wezen uit dat de verhouding patiën-
ten die weer gaan sporten niet verschilt volgens de behan-
deling (15, 30, 32, 33), of na een conservatieve behandeling
groter is dan na een operatie, namelijk 82 procent versus
58 procent (31).
Het trauma van de operatie, de lange revalidatieperiode,
de vrees voor een nieuw ongeval, familiale of professio-
nele beslommeringen en het psychologische profiel van de
patiënt, zijn elementen die kunnen verklaren waarom die
ondanks de operatieve reconstructie niet meer of minder
is gaan sporten. Er werd aangetoond dat de patiënten die
niet meer terugkeren naar hetzelfde sportniveau, diegenen
zijn die vrezen voor een nieuw trauma (37). In een reeks
patiënten van wie de VKB werd gereconstrueerd, hernam
62 procent dezelfde sportactiviteiten. De belangrijkste dis-
criminerende factor is het psychologische profiel van de
patiënt (38). Ook dat profiel verschilt sterk naargelang de
patiënten kiezen voor een operatieve of een conservatieve
behandeling (18). Deze laatste vaststellingen suggereren
dat we de patiënten beter moeten selecteren voor de ene of
de andere behandeling, en niet één systematische behan-
deling moeten aanraden aan alle patiënten.
de etIologIe van posttraumatIsChe artrose
Is multIfaCtorIeel
Een literatuuranalyse van Lohmander et al. onderzocht
uitvoerig de etiologie van posttraumatische artrose (39).