deringen in de biochemie van het synoviale vocht waarge- nomen die degeneratieve letsels zouden kunnen veroor- zaken (40). De letsels die voortvloeien uit een gescheurde VKB, niet alleen aan de meniscus maar ook aan het knie- kapsel of het kraakbeen, worden vaak onderschat of niet gediagnosticeerd. De omvang van deze geassocieerde let- sels hangt af van de aard van het trauma. De kans op een kraakbeenletsel is groter als het trauma werd opgelopen tijdens het neerkomen na een sprong, dan tijdens een tor- siebeweging van de knie in suspensie (41). Veranderingen in het beenmergsignaal die vaak worden waargenomen bij een MRI-onderzoek (Magnetic Resonance Imaging) na een VKB-scheur, wijzen op subchondrale letsels die later het onderliggende kraakbeen kunnen veranderen en artrose kunnen veroorzaken, los van het feit of het VKB- letsel al dan niet operatief werd behandeld (42-45). Ook werd aangetoond dat de artrose, na operatieve reconstruc- tie van de VKB door transplantatie van de patellapees, was gecorreleerd aan de body mass index en de leeftijd van de patiënt op het moment van het ongeval (16, 20). De inten- siteit van de sport- of beroepsactiviteit ten slotte werd nooit ernstig geëvalueerd. Wel werd aangetoond dat een `zware' fysieke activiteit een belangrijke risicofactor is voor de ontwikkeling van gonartrose bij mensen die nooit een knietrauma hebben gehad, en meer in het bijzonder als ze obees zijn (46), en dat de incidentie van coxartrose of gon- artrose, zonder dat er ooit sprake was van een trauma, 2 tot 3 keer groter is bij elitesportsters (47) of -sporters (48) dan in een controlepopulatie. houden dat, meer dan 20 jaar na een meniscectomie waarbij de VKB intact was, radiologische artrose drie tot zeven keer frequenter is dan in de niet-getraumatiseerde controlaterale knie (4, 49, 50) of in een controlepopulatie (51). Toch stellen sommige studies vast dat, ondanks deze hoge incidentie van radiologische veranderingen, er geen significant verband bestaat met de symptomatologie of met functieverlies en dat artrose bovendien zelden wordt behandeld met een operatie (4, 50). onmiskenbaar tot radiologische tekenen die wijzen op pro- gressieve degeneratieve gewrichtsletsels waarvan de ernst varieert naargelang de bestudeerde patiënten. Zo werd gerapporteerd dat een geslaagde operatieve reparatie van de meniscus in een knie met een intacte VKB, niet altijd elk risico van radiologische veranderingen van de knie uitsluit (52). De etiologie van posttraumatische artrose is dus multi- factorieel. de VKB na een eerdere operatie opnieuw moest worden gereconstrueerd, was de incidentie van kraakbeenletsels die tijdens de nieuwe operatie werden waargenomen signi- ficant hoger bij patiënten van wie de meniscus geheel of gedeeltelijk werd verwijderd dan bij patiënten van wie de meniscus was hersteld bij de eerste reconstructie van de VKB (53). Als we aannemen dat de toestand van de knie bij de eerste reconstructie van de VKB in de beide groe- pen identiek was, de meniscusletsels niet meegerekend, en dat ook het sportniveau of de tijd tussen de twee operaties niet verschilden, zou dit kunnen suggereren dat het beter is om de meniscus te herstellen dan om hem te verwijderen tijdens de primaire operatieve reconstructie van de VKB (53). Dat lijkt ook logisch, maar in deze studie ontbreekt het aan gegevens om het relatieve belang te evalueren van alle factoren die de progressieve degradatie van de knie zouden kunnen veroorzaken. en de operatIeve reConstruCtIe een Invloed op de InCIdentIe van letsels dIe Worden geassoCIeerd met een gesCheurde vKB? meniscusletsels en andere degeneratieve letsels bij de pa- tiënten die ze hebben geopereerd hoger naarmate er meer tijd is verstreken tussen het ongeval en de reconstructie van de VKB (7, 9, 54-60). Uit deze vaststelling mogen we niet afleiden dat een vroegere operatieve reconstructie de incidentie van de meniscusletsels kan verlagen of artrose kan voorkomen. Andere onderzoekers rapporteren betere resultaten als de reconstructie eerder vroeg dan laat wordt uitgevoerd (8, 61, 62), terwijl de resultaten niet verschillen naargelang de patiënt binnen de 3 weken na het trauma of minstens 6 weken na het ongeval wordt geopereerd (63). Een recente gerandomiseerde studie vergelijkt de resulta- ten van twee groepen. In de ene groep wordt de VKB snel gereconstrueerd en volgen de patiënten een structurele revalidatie, in de andere groep worden ze uitgenodigd om te revalideren en vervolgens te kiezen voor reconstructie van de VKB als ze niet tevreden zijn (64). Na twee jaar blijkt de tevredenheid van de patiënten in de beide groe- pen nagenoeg even groot te zijn. Omdat de reconstruc- tie werd uitgevoerd `on demand', werd 61 procent van de patiënten niet geopereerd. Deze studie bevestigt de hypothese die Holmes al in 2001 naar voren schoof (65). Het feit dat de beste resultaten worden waargenomen in reeksen waarin de VKB al snel na de scheur wordt gere- construeerd, kan niet worden verklaard door het feit dat de operatie snel werd uitgevoerd, maar wel door in deze reeks een bepaalde verhouding patiënten op te nemen die goed zouden zijn geëvolueerd met een conservatieve |