background image
OrthO-rheumatO | VOL 10 | Nr 6 | 2012
24
morBIdIteIt van de operatIe
De incidentie en de aard van de complicaties van de ope-
ratie variëren naargelang de verschillende soorten studies
die worden gepubliceerd: retrospectief, prospectief, ver-
gelijkend, gerandomiseerd, niet gerandomiseerd... (85).
Volgens sommige studies moet 23 (62) tot 28 procent (86)
van de patiënten na reconstructie van de VKB een tweede
operatie ondergaan. De observatietijd bedraagt respec-
tievelijk 32 en 89 maanden. De belangrijkste reden is een
meniscusletsel (6,9%), maar ook onvoldoende recuperatie
van de bewegingsamplitudes (6,3%) en, zeldzamer, een
infectie (0,6%) (62). Sommige complicaties, zoals morbi-
diteit die wordt toegekend aan de autotransplantatie of aan
bevestigingsmiddelen van het transplantaat en eventuele
ontwikkeling van littekenweefsel of `cyclops' (87), zijn vrij
onschuldig. Van ernstigere gevolgen, zoals een vasculair
of neurologisch letsel, artrofibrose of een infectie (88-90),
wordt de incidentie ongetwijfeld onderschat omdat de
onderzoekers er niet graag over publiceren. De inciden-
tie van de complicaties kan waarschijnlijk beter worden
geëvalueerd door een studie van de gegevens van nationale
registers zoals die bestaan in Noord-Europa (91), op voor-
waarde dat de gegevens van de meeste VKB-reconstructies
erin zijn opgenomen.
In een ervaren team werden technische fouten in verband
met de plaats van de tunnels, het nemen van het transplan-
taat of de bevestigingsmiddelen vastgesteld in 9,6 procent
van de gevallen, maar gelukkig konden ze tijdens dezelfde
operatie nog worden rechtgezet (92). Maar wat als de
chirurg minder ervaring heeft?
De incidentie van scheuren van het VKB-transplantaat
varieert tussen 3 (93) en 5 (64) procent of tussen 9 en 12
procent (13-15), respectievelijk 2 jaar of 8 tot 13 jaar na
de operatie. Salmon et al. rapporteren dat 13 jaar na de
reconstructie van de VKB het transplantaat of de VKB van
de controlaterale knie is gescheurd bij 34 procent van hun
patiënten (14). Om die incidentie te verlagen, stellen ze
voor om de operatieve behandeling te combineren met een
gestructureerde revalidatie, waarvan ook de aanhangers
van de conservatieve behandeling voorstander zijn.
Wellicht verklaart deze deels onvermoede morbiditeit van
de operatie dat gemiddeld slechts 62 procent tot 65 pro-
cent van de patiënten na reconstructie van de VKB weer
dezelfde sport- of beroepsactiviteiten uitoefent (36, 38),
of dat de resultaten die in het IKDC-formulier als A en B
worden geklasseerd slechts betrekking hebben op 70 pro-
cent van de geopereerde patiënten en de tegnerscore met
8 tot 6 procent is gedaald na een follow-up van gemiddeld
32 maanden (21-117 maanden) (62).
ConClusIe
Uit dit literatuuroverzicht blijkt dat de reconstructie van de
VKB noch de incidentie van posttraumatische artrose ver-
laagt, noch garandeert dat de patiënt zijn sportactiviteiten
zal kunnen hernemen. Een gescheurde voorste kruisband
kan onmiskenbaar het begin zijn van een progressieve
degradatie van de knie. Toch werd nergens duidelijk aan-
getoond dat operatieve reconstructie van de VKB het enige
of het juiste middel is om deze degradatie te vermijden. De
letsels die worden geassocieerd met een gescheurde VKB
variëren naargelang het traumamechanisme en kunnen de
onontkoombare evolutie naar artrose, ondanks de recon-
structie van de VKB, verklaren. Het enige wat formeel wordt
aangetoond, is dat operatieve reconstructie van de VKB
een efficiënt middel is om de instabiliteit van de patiënt te
verhelpen. Die kan ook worden beheerst met neuromus-
culaire revalidatie, tenminste bij sommige patiënten. Geen
enkele behandeling, operatief of conservatief, kan echter
de normale gewrichtskinematica herstellen. Ook als de
instabiliteit is opgeheven, kunnen we onze patiënten het
best aanraden om geen sporten meer te beoefenen die te
veel draaibewegingen van de knie impliceren.
Patiënten die hun VKB hebben gescheurd moeten weten dat
operatieve reconstructie geen onmiskenbare voorwaarde
is, noch de enige manier, om later weer te kunnen sporten.
De beslissing om een operatieve behandeling uit te voeren,
mag niet enkel zijn gebaseerd op de criteria intensiteit van
de gewrichtslaxiteit en het niveau van de sportactiviteiten
die de patiënt beoefent. Fysieke proeven, metingen van de
spierkracht en vragenlijsten om de functionele handicap
zelf te evalueren, helpen om de kandidaten voor een opera-
tieve of een conservatieve behandeling beter te selecteren.
Het grootste voordeel daarvan ondervindt de patiënt zelf.
Op die manier hoeven we minder operaties uit te voeren,
vermijden we de complicaties van deze operaties en druk-
ken we misschien ook de uitgaven van de sociale zekerheid.
Wat we daarmee uitsparen, zouden we kunnen gebruiken
voor de financiering van ernstigere klinische studies en de
oprichting van een nationaal register zoals dat ook al be-
staat in andere landen.
referenties
1. Torg js, Conrad w, kalen V. Clinical diagnosis of anterior cruciate ligament instability in
the athlete. am j sports med 1976;4:84-93.
2. Casteleyn PP, handelberg f. non-operative management of anterior cruciate ligament
injuries in the general population. j bone joint surg 1996;78-b:446-51.
3. meunier a, odensten m, good l. long-term results after primary repair or non-surgical
treatment of anterior cruciate ligament rupture: a randomized study with a 15-year
follow-up. scand j med sci sports 2007;17:230-7.
4. neyret P, donell sT, dejour h. results of partial meniscectomy related to the state of the
anterior cruciate ligament. review at 20 to 35 years. j bone joint surg 1993;75-b:36-40.