ratie variëren naargelang de verschillende soorten studies die worden gepubliceerd: retrospectief, prospectief, ver- gelijkend, gerandomiseerd, niet gerandomiseerd... (85). Volgens sommige studies moet 23 (62) tot 28 procent (86) van de patiënten na reconstructie van de VKB een tweede operatie ondergaan. De observatietijd bedraagt respec- tievelijk 32 en 89 maanden. De belangrijkste reden is een meniscusletsel (6,9%), maar ook onvoldoende recuperatie van de bewegingsamplitudes (6,3%) en, zeldzamer, een infectie (0,6%) (62). Sommige complicaties, zoals morbi- diteit die wordt toegekend aan de autotransplantatie of aan bevestigingsmiddelen van het transplantaat en eventuele ontwikkeling van littekenweefsel of `cyclops' (87), zijn vrij onschuldig. Van ernstigere gevolgen, zoals een vasculair of neurologisch letsel, artrofibrose of een infectie (88-90), wordt de incidentie ongetwijfeld onderschat omdat de onderzoekers er niet graag over publiceren. De inciden- tie van de complicaties kan waarschijnlijk beter worden geëvalueerd door een studie van de gegevens van nationale registers zoals die bestaan in Noord-Europa (91), op voor- waarde dat de gegevens van de meeste VKB-reconstructies erin zijn opgenomen. In een ervaren team werden technische fouten in verband met de plaats van de tunnels, het nemen van het transplan- taat of de bevestigingsmiddelen vastgesteld in 9,6 procent van de gevallen, maar gelukkig konden ze tijdens dezelfde operatie nog worden rechtgezet (92). Maar wat als de chirurg minder ervaring heeft? varieert tussen 3 (93) en 5 (64) procent of tussen 9 en 12 procent (13-15), respectievelijk 2 jaar of 8 tot 13 jaar na de operatie. Salmon et al. rapporteren dat 13 jaar na de reconstructie van de VKB het transplantaat of de VKB van de controlaterale knie is gescheurd bij 34 procent van hun patiënten (14). Om die incidentie te verlagen, stellen ze voor om de operatieve behandeling te combineren met een gestructureerde revalidatie, waarvan ook de aanhangers van de conservatieve behandeling voorstander zijn. de operatie dat gemiddeld slechts 62 procent tot 65 pro- cent van de patiënten na reconstructie van de VKB weer dezelfde sport- of beroepsactiviteiten uitoefent (36, 38), of dat de resultaten die in het IKDC-formulier als A en B cent van de geopereerde patiënten en de tegnerscore met 8 tot 6 procent is gedaald na een follow-up van gemiddeld 32 maanden (21-117 maanden) (62). VKB noch de incidentie van posttraumatische artrose ver- laagt, noch garandeert dat de patiënt zijn sportactiviteiten zal kunnen hernemen. Een gescheurde voorste kruisband kan onmiskenbaar het begin zijn van een progressieve degradatie van de knie. Toch werd nergens duidelijk aan- getoond dat operatieve reconstructie van de VKB het enige of het juiste middel is om deze degradatie te vermijden. De letsels die worden geassocieerd met een gescheurde VKB variëren naargelang het traumamechanisme en kunnen de onontkoombare evolutie naar artrose, ondanks de recon- structie van de VKB, verklaren. Het enige wat formeel wordt aangetoond, is dat operatieve reconstructie van de VKB een efficiënt middel is om de instabiliteit van de patiënt te verhelpen. Die kan ook worden beheerst met neuromus- culaire revalidatie, tenminste bij sommige patiënten. Geen enkele behandeling, operatief of conservatief, kan echter de normale gewrichtskinematica herstellen. Ook als de instabiliteit is opgeheven, kunnen we onze patiënten het best aanraden om geen sporten meer te beoefenen die te veel draaibewegingen van de knie impliceren. operatieve reconstructie geen onmiskenbare voorwaarde is, noch de enige manier, om later weer te kunnen sporten. De beslissing om een operatieve behandeling uit te voeren, mag niet enkel zijn gebaseerd op de criteria intensiteit van de gewrichtslaxiteit en het niveau van de sportactiviteiten die de patiënt beoefent. Fysieke proeven, metingen van de spierkracht en vragenlijsten om de functionele handicap zelf te evalueren, helpen om de kandidaten voor een opera- tieve of een conservatieve behandeling beter te selecteren. Het grootste voordeel daarvan ondervindt de patiënt zelf. Op die manier hoeven we minder operaties uit te voeren, vermijden we de complicaties van deze operaties en druk- ken we misschien ook de uitgaven van de sociale zekerheid. Wat we daarmee uitsparen, zouden we kunnen gebruiken voor de financiering van ernstigere klinische studies en de oprichting van een nationaal register zoals dat ook al be- staat in andere landen. 1. Torg js, Conrad w, kalen V. Clinical diagnosis of anterior cruciate ligament instability in follow-up. scand j med sci sports 2007;17:230-7. |