background image
OrthO-rheumatO | VOL 10 | Nr 6 | 2012
35
Bij de behandeling van reumatoïde artritis dient volgens
de spreekster zowel rekening gehouden te worden met
het immunosuppressieve aspect van de therapie, die de
kans op lymfoom vergroot, als met ziektecontrole, die het
risico op lymfoom door de aandoening zelf verkleint. De
voorgestelde analyse van het BSR Biologics Register had
betrekking op patiënten zonder eerdere maligne lymfo-
proliferatieve aandoeningen die in de dagelijkse Britse kli-
nische praktijk met TNF-remmers behandeld werden, over
een follow-upperiode tot vijf jaar. Patiënten kwamen in
aanmerking voor de behandeling als ze eerder reeds twee
DMARD's hadden geprobeerd en toch een DAS28-score
van meer dan 5,1 haalden. Als controlegroep fungeerden
patiënten met gelijkaardige ziektekenmerken die enkel
met DMARD's behandeld waren.
In het register zaten gegevens van 3.465 gebruikers van
enkel DMARD's en 11.987 gebruikers van TNF-remmers.
Het cohort dat met TNF-remmers is behandeld, was wat
langer ziek (mediaan 11 jaar, tegenover 6 jaar), had een
hogere DAS28-score (6,6 vs. 5,3) en HAQ-score (2,0 vs.
1,5) dan het DMARD-cohort. Het aantal lymfomen per
100.000 patiëntenjaren bedroeg 152 (95%-BI: 93-234) in
de DMARD-groep en 96 (95%-BI: 74-123) in de groep met
TNF-remmers. Na correcties voor leeftijd, geslacht, roken,
duur van de ziekte, DAS28, HAQ, gebruik van corticoste-
roïden en cyclofosfamide en moment van registratie haalde
de hazard ratio voor lymfoom bij TNF-gebruik 1,13 ten op-
zichte van DMARD-gebruik, een niet-significant verschil.
De specifieke cijfers voor non-hodginlymfoom waren vrij
gelijkaardig. Kimme Hyrich rondt haar uitzetting af met te
wijzen op de noodzaak voor verdere follow-up, om zicht te
krijgen op een eventuele langere latentietijd.
zeer vroege BehandelIng van reumatoïde
artrItIs en ongedIfferentIeerde artrItIs
Lotte Heimans (Leiden) maakte de resultaten bekend van
de IMPROVED-studie, een studie bij 610 patiënten met
ongedifferentieerde artritis en vroege reumatoïde artritis,
die met verschillende strategieën behandeld werden, met
remissie als doel (DAS < 1,6) (14).
De initiële behandeling bestond uit 25mg/week metho-
trexaat en afbouwende doses prednison, van 60mg/dag
tot 7,5mg/dag over 7 weken. Als na vier maanden remis-
sie optrad, dan werd de behandeling zo veel als mogelijk
afgebouwd. Indien er echter geen remissie was, dan volgde
randomisatie in twee studiearmen. De eerste arm werd be-
handeld met verschillende DMARD's (methotrexaat, sul-
fasalazine, hydroxychloroquine) en een lage dosis predni-
son. De tweede arm kreeg de combinatie van adalimumab
en methotrexaat.
Als na acht maanden in de eerste studiearm geen remis-
sie optrad, dan kon naar de behandeling in de tweede arm
overgeschakeld worden. Bij gebrek aan remissie in de
tweede arm kon de dosis adalimumab verdubbeld worden.
Bij patiënten in remissie werd de behandeling traag afge-
bouwd. In de initiële groep met methotrexaat en predni-
son volgde ook een evaluatie na acht maanden. Daar kon
de behandeling afgebouwd worden, of opnieuw gestart, in
functie van het al dan niet behouden van remissie.
Na één jaar was 68 procent van de patiënten uit deze
laatste groep in remissie en nam 32 procent geen medi-
cijnen meer. In de eerste studiearm, met gecombineerde
DMARD's, haalde 25 procent remissie na een jaar. In de
tweede studiearm, met adalimumab, haalde 41 procent
remissie na een jaar, een significant verschil met de eerste
studiearm (p = 0,01). De percentages van remissie waren
vergelijkbaar tussen de groep met vroege reumatoïde ar-
tritis en de groep met ongedifferentieerde artritis. De me-
diane radiologische progressie bedroeg nul in alle groepen.
Lotte Heimans concludeert dat patiënten die niet reage-
ren op initiële combinatietherapie met methotrexaat en
prednison, meer remissie na een jaar bereiken met ada-
limumab plus methotrexaat dan met een combinatie van
DMARD's plus prednison.
nIeuWe InhIBItors van Cd40-sIgnaalpaden
Robert Plenge (Boston, Massachusetts) geeft zijn bevin-
dingen van een genoomwijde associatiestudie bij reuma-
factorpositieve reumatoïde artritis, waarvan hij hoopte
dat ze kunnen bijdragen aan de ontwikkeling van nieuwe
geneesmiddelen (15).
CD40 is een eiwit op het oppervlak van B-lymfocyten. De
binding van CD40 aan de CD40-ligand is up-gereguleerd
ter hoogte van synoviaal weefsel met inflammatie bij pa-
tiënten met reumatoïde artritis, terwijl mutaties van het
CD40-gen bij de mens tot immunodeficiëntie leiden. Dit
kan volgens de spreker wijzen op de aanwezigheid van een
allel dat de functie van CD40 kan versterken. Genotypering
van de CD40-locus op chromosoom 20 bij 7.222 patiënten
met reumatoïde artritis en 15.870 controlepersonen bracht
één SNP-variant aan het licht die de volledige associatie
kon verklaren. Dit risicoallel bleek te leiden tot de expres-
sie van meer CD40 op primaire humane B-cellen. Daarop
voerde de spreker een fenotypescreening uit, een zoge-
naamde high-throughput cell-based phenotypic screen,
om inhibitors van het CD40-signaalpad te vinden. Een ge-
neesmiddelenscreening voor kleine moleculen maakte het
daarop mogelijk om zowel reeds bekende geneesmiddelen
te identificeren die op dit signaalpad inwerken (tranilast en