de spreekster zowel rekening gehouden te worden met het immunosuppressieve aspect van de therapie, die de kans op lymfoom vergroot, als met ziektecontrole, die het risico op lymfoom door de aandoening zelf verkleint. De voorgestelde analyse van het BSR Biologics Register had betrekking op patiënten zonder eerdere maligne lymfo- proliferatieve aandoeningen die in de dagelijkse Britse kli- nische praktijk met TNF-remmers behandeld werden, over een follow-upperiode tot vijf jaar. Patiënten kwamen in aanmerking voor de behandeling als ze eerder reeds twee DMARD's hadden geprobeerd en toch een DAS28-score van meer dan 5,1 haalden. Als controlegroep fungeerden patiënten met gelijkaardige ziektekenmerken die enkel met DMARD's behandeld waren. enkel DMARD's en 11.987 gebruikers van TNF-remmers. Het cohort dat met TNF-remmers is behandeld, was wat langer ziek (mediaan 11 jaar, tegenover 6 jaar), had een hogere DAS28-score (6,6 vs. 5,3) en HAQ-score (2,0 vs. 1,5) dan het DMARD-cohort. Het aantal lymfomen per 100.000 patiëntenjaren bedroeg 152 (95%-BI: 93-234) in de DMARD-groep en 96 (95%-BI: 74-123) in de groep met TNF-remmers. Na correcties voor leeftijd, geslacht, roken, duur van de ziekte, DAS28, HAQ, gebruik van corticoste- roïden en cyclofosfamide en moment van registratie haalde de hazard ratio voor lymfoom bij TNF-gebruik 1,13 ten op- zichte van DMARD-gebruik, een niet-significant verschil. De specifieke cijfers voor non-hodginlymfoom waren vrij gelijkaardig. Kimme Hyrich rondt haar uitzetting af met te wijzen op de noodzaak voor verdere follow-up, om zicht te krijgen op een eventuele langere latentietijd. artrItIs en ongedIfferentIeerde artrItIs de IMPROVED-studie, een studie bij 610 patiënten met ongedifferentieerde artritis en vroege reumatoïde artritis, die met verschillende strategieën behandeld werden, met remissie als doel (DAS < 1,6) (14). trexaat en afbouwende doses prednison, van 60mg/dag tot 7,5mg/dag over 7 weken. Als na vier maanden remis- sie optrad, dan werd de behandeling zo veel als mogelijk afgebouwd. Indien er echter geen remissie was, dan volgde randomisatie in twee studiearmen. De eerste arm werd be- handeld met verschillende DMARD's (methotrexaat, sul- fasalazine, hydroxychloroquine) en een lage dosis predni- son. De tweede arm kreeg de combinatie van adalimumab en methotrexaat. sie optrad, dan kon naar de behandeling in de tweede arm overgeschakeld worden. Bij gebrek aan remissie in de tweede arm kon de dosis adalimumab verdubbeld worden. Bij patiënten in remissie werd de behandeling traag afge- bouwd. In de initiële groep met methotrexaat en predni- son volgde ook een evaluatie na acht maanden. Daar kon de behandeling afgebouwd worden, of opnieuw gestart, in functie van het al dan niet behouden van remissie. laatste groep in remissie en nam 32 procent geen medi- cijnen meer. In de eerste studiearm, met gecombineerde DMARD's, haalde 25 procent remissie na een jaar. In de tweede studiearm, met adalimumab, haalde 41 procent remissie na een jaar, een significant verschil met de eerste studiearm (p = 0,01). De percentages van remissie waren vergelijkbaar tussen de groep met vroege reumatoïde ar- tritis en de groep met ongedifferentieerde artritis. De me- diane radiologische progressie bedroeg nul in alle groepen. ren op initiële combinatietherapie met methotrexaat en prednison, meer remissie na een jaar bereiken met ada- limumab plus methotrexaat dan met een combinatie van DMARD's plus prednison. dingen van een genoomwijde associatiestudie bij reuma- factorpositieve reumatoïde artritis, waarvan hij hoopte dat ze kunnen bijdragen aan de ontwikkeling van nieuwe geneesmiddelen (15). binding van CD40 aan de CD40-ligand is up-gereguleerd ter hoogte van synoviaal weefsel met inflammatie bij pa- tiënten met reumatoïde artritis, terwijl mutaties van het CD40-gen bij de mens tot immunodeficiëntie leiden. Dit kan volgens de spreker wijzen op de aanwezigheid van een allel dat de functie van CD40 kan versterken. Genotypering van de CD40-locus op chromosoom 20 bij 7.222 patiënten met reumatoïde artritis en 15.870 controlepersonen bracht één SNP-variant aan het licht die de volledige associatie kon verklaren. Dit risicoallel bleek te leiden tot de expres- sie van meer CD40 op primaire humane B-cellen. Daarop voerde de spreker een fenotypescreening uit, een zoge- naamde high-throughput cell-based phenotypic screen, om inhibitors van het CD40-signaalpad te vinden. Een ge- neesmiddelenscreening voor kleine moleculen maakte het daarop mogelijk om zowel reeds bekende geneesmiddelen te identificeren die op dit signaalpad inwerken (tranilast en |