background image
OrthO-rheumatO | VOL 10 | Nr 6 | 2012
22
behandeling. Omgekeerd, in reeksen waarin de VKB later
wordt gereconstrueerd, gebeurt dat enkel bij patiënten die
niet tevreden zijn met het resultaat van de oorspronkelijke
conservatieve behandeling.
Kan de operatIeve reConstruCtIe van de vKB
de menIsCus BesChermen?
In een databasestudie over de codes die worden toege-
kend aan de verschillende pathologieën, werd vastgesteld
dat het risico dat na een trauma waarbij de VKB scheurt
de meniscus operatief moet worden verwijderd, groter is
bij patiënten van wie de VKB niet werd gereconstrueerd
dan bij diegenen bij wie dat wel was gebeurd (66). Dat zou
betekenen dat de reconstructie van de VKB de kans op een
latere verwijdering van de meniscus vermindert. Helaas
is deze studie van administratieve gegevens retrospectief,
zegt ze niets over de activiteiten van de patiënten en geeft
ze geen informatie over de lateraliteit van de operaties. De
latere meniscectomie zou dus ook betrekking kunnen heb-
ben op de knie waarvan de VKB niet was gescheurd.
Frobell et al. stelden vast dat secundaire meniscus-
operaties frequenter zijn bij de patiënten die in de eerste
lijn een conservatieve behandeling kregen, dan bij de pa-
tiënten van wie de VKB onmiddellijk na de scheur werd
gereconstrueerd (64). Ze verklaren dat door het feit dat
sommige meniscusletsels die bij het MRI-onderzoek na
het ongeval aan het licht komen worden behandeld tijdens
de reconstructie van de VKB, en niet, of ten minste niet
meteen, worden behandeld bij patiënten onder conserva-
tieve behandeling.
Anderen stelden vast dat de frequentie van nieuwe meniscus-
letsels of meniscusoperaties lager is na de reconstructie
van de VKB dan tijdens de periode tussen de VKB-scheur
en de reconstructie (7, 16, 67). Deze frequentiedaling zou
ook kunnen worden verklaard door het feit dat de patiën-
ten minder deelnemen aan sportactiviteiten van hoog
niveau.
Tot op vandaag is er geen enkel onweerlegbaar argument
om een operatieve reconstructie aan te bevelen aan alle pa-
tiënten met een gescheurde VKB, met de bedoeling om elk
nieuw meniscusletsel en evolutie naar artrose te voorkomen.
ConservatIeve BehandelIng
na een vKB-sCheur
Verschillende studies bevestigen dat patiënten gebaat
kunnen zijn bij conservatieve behandeling (2, 68-70). De
recentste studie (70) toonde aan dat, na een follow-up van
3 jaar, 60 procent van de patiënten op hetzelfde of een
hoger niveau sporten dan op het moment van het ongeval
waarbij ze hun VKB scheurden en dat 31 procent een lich-
tere sportactiviteit beoefent. De overige 9 procent zijn ont-
brekende gegevens. Na 15 jaar observatie vertoont slechts
16 procent van deze patiënten radiografische tekenen van
artrose (71). Al deze patiënten hebben een meniscecto-
mie ondergaan, terwijl de radiografieën van patiënten van
wie de meniscus nooit werd verwijderd geen tekenen van
artrose laten zien. Heel wat patiënten werden ook onder-
worpen aan een reeks functionele tests en 15 jaar na het
oorspronkelijke trauma werd hun spierkracht gemeten
met behulp van een isokinetische dynamometer (72). De
resultaten verschillen niet van deze die worden waargeno-
men in een controlepopulatie van patiënten die nooit een
VKB scheurden.
Recentere gerandomiseerde studies die de operatieve en
conservatieve behandeling met elkaar vergeleken, stel-
den na één (73) of twee jaar (64, 74) observatie, geen ver-
schil vast in de mogelijkheid om dezelfde sportactiviteiten
te hernemen of de spierkracht en het functionele niveau
terug te winnen.
Is er een manIer om de KandIdaten voor
een operatIeve of ConservatIeve BehandelIng
CorreCt te seleCteren?
Sommige auteurs stellen operatieve reconstructie voor
aan patiënten met een abnormale gewrichtslaxiteit die
sporten op hoog niveau (34). Voor patiënten bij wie de
gewrichtslaxiteit weinig verschilt van die van de gezonde
knie en die sporten op niveau III of IV volgens het IKDC-
formulier, wordt in de eerste lijn conservatieve behande-
ling voorgesteld. Enkele studies toonden echter aan dat
aan de hand van metingen van de gewrichtslaxiteit geen
onderscheid kan worden gemaakt tussen patiënten die al
dan niet zullen klagen over instabiliteit (75, 76).
Kostogiannis et al. stelden vast dat een `pivot shift test'
drie maanden na het ongeval het meest discriminerende
element is om de behoefte aan een latere reconstructie van
de VKB te voorspellen (77).
Ook zijn er vragenlijsten over het functieverlies na een
VKB-breuk waarmee het resultaat kan worden geëvolueerd
één jaar na de operatieve behandeling (78).
Een andere studie stelde vast dat de slechtste resultaten na
een operatieve behandeling nauw verband hielden met een
BMI (body mass index) van meer dan 30kg/m² of met het
feit dat de patiënt rookt (79).
Anderen gebruiken fysieke tests om de beste kandidaten te
selecteren voor een conservatieve behandeling die hen zal
helpen om snel weer te kunnen sporten en hen meer tijd
geeft om zich te bezinnen over de noodzaak om een opera-
tieve reconstructie te ondergaan (80, 81).
Heel wat patiënten die niet sporten op professioneel niveau
of in teamverband, zijn tevreden met een conservatieve