background image
OrthO-rheumatO | VOL 10 | Nr 6 | 2012
56
lessen uIt het BelgIsChe sClerodermIeCohort
Het Belgische sclerodermieregister bevat een rijkdom aan gegevens. Het leert onder meer dat de ernstscore (di-
sease severity score
, DSS) gebruikt kan worden om orgaanaantasting te definiëren. En dat er verschillende sub-
types zijn, niet alleen op basis van huidaantasting maar ook op basis van autoantilichaamprofiel. Dat blijkt uit een
publicatie in het Journal of Rheumatology.
Goed zes jaar geleden namen de Koninklijke Belgische
Vereniging voor Reumatologie (KBVR) en het Fonds voor
Wetenschappelijk Reuma-onderzoek (FWRO) het initia-
tief om een nationaal register van sclerodermiepatiënten
aan te leggen. Grote voortrekker was Frédéric Houssiau
(UCL). Alle Belgische universiteiten verlenen hun mede-
werking aan dit project, dat op termijn moet toelaten een
beter zicht te krijgen op het natuurlijk verloop van deze
vrij zeldzame reumatische aandoening maar ook op de risico-
factoren en prognostische factoren. Een dergelijke rijke
bron van informatie kan helpen om mensen met de meest
ernstige vormen van sclerodermie, bij wie de minst goede
prognose wordt verwacht, te identificeren.
Intussen zijn heel wat gegevens verzameld en geëvalueerd.
Het Journal of Rheumatology publiceerde in haar
novem bereditie 2012 de basis- en follow-upgegevens van
de eerste 438 patiënten met systeemsclerose die werden
geïncludeerd in het Belgische register. Onder hen zijn er
73 personen met beperkte systeemsclerose (lSSc), 279 met
beperkte cutane systeemsclerose (lcSSc) en 86 met diffuse
cutane systeemsclerose (dcSSc). De medische geschiede-
nis werd bijgehouden, net als herhaald klinisch onderzoek,
serologie en paraklinisch onderzoek. Scores voor ziekte-
activiteit (DAS) en ziekte-ernst voor verschillende orgaan-
systemen (DSS) werden nauwkeurig bijgehouden. Er was
sprake van aantasting van een orgaansysteem vanaf een
DSS-score 1.
Op het moment van inclusie vertoonden patiënten met
dcSSc algemenere aantasting alsook meer aantasting van
gewrichten/pezen, spieren, gastro-intestinaal stelsel en
nieren. De aanwezigheid van anti-Scl-70 gaf meer aan-
leiding tot aantasting van bloedvaten, huid, gewrichten/
pezen en longen. Anti-RNA-polymerase III ging vaker
gepaard met aantasting van huid en gewrichten/pezen
dan de aanwezigheid van anticentromeer. Patiënten met
dcSSc hadden de minst goede overleving. Longaantasting
was tijdens de follow-up de meest frequente complicatie.
Er werden geen veranderingen in DAS-score vastgesteld.
Daarentegen was er een verslechtering van de algemene
DSS-score en de DSS-score voor de huid in de groep met
respectievelijk lcSSc en lSSc. In de groep met lSSc evolueer-
de 15 procent binnen 30 maanden naar lcSSc, maar sero-
logie noch capillaroscopie konden helpen om de risico-
personen te identificeren.
De auteurs besluiten uit hun analyse dat de DSS-score nut-
tig kan zijn om orgaanaantasting te definiëren bij perso-
nen met SSc en dat de verschillende subgroepen niet alleen
verschillen qua huidaantasting maar ook qua autoanti-
lichaamprofiel.
reumatoïde artrItIs
en veneuze tromBo-emBolIe
Personen met reumatoïde artritis hebben een verhoogd risico op diepe veneuze trombose en longembool. Dat
risico neemt toe kort na de diagnose van reumatoïde artritis en blijft gelijk gedurende de volgende tien jaar. Wel is
er binnen het jaar na ziekenhuisontslag geen hoger risico op veneuze trombo-embolie in de populatie met reuma-
toïde artritis dan in de algemene bevolking. Dat suggereert een Zweedse prospectieve cohortstudie die het JAMA
publiceerde.
Vanthuyne m, de langhe e, Van Praet j, et al. The belgian systemic sclerosis cohort: correlations
between disease severity scores, cutaneous subsets and autoantibody profile. j rheumatol
2012;39:2127-33.