sease severity score, DSS) gebruikt kan worden om orgaanaantasting te definiëren. En dat er verschillende sub- types zijn, niet alleen op basis van huidaantasting maar ook op basis van autoantilichaamprofiel. Dat blijkt uit een publicatie in het Journal of Rheumatology. Vereniging voor Reumatologie (KBVR) en het Fonds voor Wetenschappelijk Reuma-onderzoek (FWRO) het initia- tief om een nationaal register van sclerodermiepatiënten aan te leggen. Grote voortrekker was Frédéric Houssiau (UCL). Alle Belgische universiteiten verlenen hun mede- werking aan dit project, dat op termijn moet toelaten een beter zicht te krijgen op het natuurlijk verloop van deze vrij zeldzame reumatische aandoening maar ook op de risico- factoren en prognostische factoren. Een dergelijke rijke bron van informatie kan helpen om mensen met de meest ernstige vormen van sclerodermie, bij wie de minst goede prognose wordt verwacht, te identificeren. Het Journal of Rheumatology publiceerde in haar novem bereditie 2012 de basis- en follow-upgegevens van de eerste 438 patiënten met systeemsclerose die werden geïncludeerd in het Belgische register. Onder hen zijn er 73 personen met beperkte systeemsclerose (lSSc), 279 met beperkte cutane systeemsclerose (lcSSc) en 86 met diffuse cutane systeemsclerose (dcSSc). De medische geschiede- nis werd bijgehouden, net als herhaald klinisch onderzoek, serologie en paraklinisch onderzoek. Scores voor ziekte- activiteit (DAS) en ziekte-ernst voor verschillende orgaan- systemen (DSS) werden nauwkeurig bijgehouden. Er was sprake van aantasting van een orgaansysteem vanaf een DSS-score 1. dcSSc algemenere aantasting alsook meer aantasting van gewrichten/pezen, spieren, gastro-intestinaal stelsel en nieren. De aanwezigheid van anti-Scl-70 gaf meer aan- leiding tot aantasting van bloedvaten, huid, gewrichten/ pezen en longen. Anti-RNA-polymerase III ging vaker gepaard met aantasting van huid en gewrichten/pezen dan de aanwezigheid van anticentromeer. Patiënten met dcSSc hadden de minst goede overleving. Longaantasting was tijdens de follow-up de meest frequente complicatie. Er werden geen veranderingen in DAS-score vastgesteld. Daarentegen was er een verslechtering van de algemene DSS-score en de DSS-score voor de huid in de groep met respectievelijk lcSSc en lSSc. In de groep met lSSc evolueer- de 15 procent binnen 30 maanden naar lcSSc, maar sero- logie noch capillaroscopie konden helpen om de risico- personen te identificeren. tig kan zijn om orgaanaantasting te definiëren bij perso- nen met SSc en dat de verschillende subgroepen niet alleen verschillen qua huidaantasting maar ook qua autoanti- lichaamprofiel. risico neemt toe kort na de diagnose van reumatoïde artritis en blijft gelijk gedurende de volgende tien jaar. Wel is er binnen het jaar na ziekenhuisontslag geen hoger risico op veneuze trombo-embolie in de populatie met reuma- toïde artritis dan in de algemene bevolking. Dat suggereert een Zweedse prospectieve cohortstudie die het JAMA publiceerde. between disease severity scores, cutaneous subsets and autoantibody profile. j rheumatol 2012;39:2127-33. |